Artikel uit een krant van ?-?-1985:
Schokkerdag moet Schokland van weleer weer doen herleven
Van een onzer redacteuren.
URK- In Urk wordt zaterdag 14 september een Schokkerdag gehouden.
Deze bijeenkomst wordt georganiseerd door de Stichting Urker Uitgaven. Een stichting
die uit ideeële en culturele overwegingen publicaties over Urk, Schokland
en het Zuiderzeegebied uitgeeft. Op deze dag zijn.alle nakomelingen van Schokland
welkom, en verder ook andere geinteresseerden in de geschiedenis van Schokland.
Op het programma van deze dag staan van half elf tot vijf uur een excursie naar
Schokland en ondermeer de presentatie van de geïllustreerde herdruk van
het boekje dat professor dr. P.J. Bouman over "Het verlaten eiland" schreef.
Koffie, echte Schokker moppen en visspecialiteiten worden niet vergeten. Wie
belangstelling heeft voor deze dag of onderdelen er van kan een briefkaart met
naam en adres zenden aan mevrouw Alie Scheffer-Hakvoort, wijk 7, nummer 2, 8321
VK te Urk.
Over de geschiedenis van Schokland is al veel geschreven, maar blijft vreselijk
boeiend. De naam Schokland duikt pas op in het laatst van de achttiende eeuw.
Voordien was er steeds sprake van Emmeloord en Ens. Lang geleden, vermoedelijk
nog voor de beruchte Sint Elizabethsvloed van 1421, was er sprake van één
groot eiland. In kronieken uit die tijd komen de namen Nagele, Urch en Emelwerth
voor. Nagele, gelegen tussen Urk en Schokland, verdween in de golven.
In 1855 werden de woningen in de Zuiderbuurt gesloopt. De vuurtoren met woning
bleef staan. In 1859 werd besloten tot totale ontruiming. Een aantal bewoners
vertrok a1 voor die tijd en wachtte het ontruimingsbevel niet af. In 1856 waren
er nog 630 inwoners. Ook zij moesten er in 1859 er aan geloven. Ondanks de
wateroverlast
en de armoede was men zeer gehecht aan dat smalle reepje grond. De schadeloosstelling
varieerde per woning van twintig tot honderd gulden. De bewoners, met typische
Schokker namen als Botter,.Koridon, Kwakman, verdwenen naar Kampen, Vollenhove,
Urk, Volendam en andere plaatsen.
In 1941, toen de bemalingen van de Noordoostpolder al waren begonnen en het
water rond Schokland nog maar vijftig centimeter diep was, vond de laatste
ontruiming
plaats. Het waren de gezinnen van Jan Spit, de havenmeester/lichtwachter op
Emmeloord, kantonnier te Ens Jan Schuurman en tweede havenmeester/lichtwachter
Harmen Smit, tevens baas van het postkantoortje en de visafslag. Spit had overigens
ook nog een winkeltje. Daar kon men brood en schokkermoppen kopen, maar ook
schapemelk en andere benodigdheden.
Armoedig
Een paradijs is Schokland nooit voor zijn bewoners geweest. De door het.water
geplaagde bevolking was bovendien zo armoedig, dat het overgrote deel van de
Schokkers niet in eigen onderhoud kon voorzien. Van regeringswege werd in 1858
daarom tot ontruiming besloten en in 1859 daadwerkelijk uitgevoerd. Het bericht
van de ontruiming bracht bij de Schokkers niet de opluchting teweeg die men
logischerwijs mocht verwachten. Zij waren enorm gehecht aan het armetierig reepje
moeras.
Schokland heeft velen tot schrijven geinspireerd. Fred Thomas, Terpstra, L.
Kombrink. De bekende schrijver Aar van de Werfhorst (Volcmar de Ommelandvaarder)
heeft zijn roman op Schokland geschreven. Van de hand van T. de Vries verscheen
het lezenswaardige verhad Urk en Schokland (Uit het Peperhuis, Enkhuizen 1974,
nummer 2). Daarin gaat het over de twee eilanden in hun houding als buren en
verhouding tot de "Stad".
Ontroerend zijn de verhalen over de oude Schokkers, die in hun ballingschap
door Thomas werden bezocht (1940). Enkele daarvan wil ik u niet onthouden.
Het eerste verhaal is dat van de in 1940 gestorven Louwe Botter: Er leven nog
echte Schokkers. Veteranen zijn het, stok-oude mensen thans. Als de Westenwind
het water van de Kamper Burgel doet klotsen tegen de walkant, wanneer hij rommelt
in de oude, hoge schoorstenen, wordt in het Proveniershuis de eenennegentigjarige
Louwe Botter onrustig. Bij nacht en ontij verlaat hij zijn bed, schuifelt op
zijn pantoffels door de slaapzaal en tot de zuster, die er waakt, zegt hij:
"De lucht staat droevig. Laat me eruit. Mijn schuit ligt los!" Louwe Botter
te Kampen is thans wel de oudste en een der laatste nog levende Schokkers. Hij
is stil en in zichzelf gekeerd en zit maar rustig te wachten op zijn dood. Doch
als de Westenwind opsteekt, begint het trage bloed in zijn pols. te kloppen.
Dan vlamt het schier uitgebluste leven in instinctmatige weerbaarheid op: Het
stormt! De branding staat op het eiland! Schokker wees op je hoede!
Als 11-jarige jongen heeft Louwe Botter Emmeloord verlaten. Zijn ouders trokken
naar Kampen en daar is hij, als de meeste oud-Schokkers en zelfs nog kinderen
van het verdreven eiland-volk, die dus in ballingschap werden geboren, de eigen
Schokkerdracht trouw gebleven. Hij draagt die nog steeds het buis en de wijde
broek: forse, robuuste kerel met een karakteristieke kop, ondanks zijn hoge
ouderdom.
Rustig slijt Botter zijn dagen daar aan de Kamper Burgel. Wij hebben weinig
last met hem, zegt Zuster Veldhuis, die de oude Visser nu al meer dan 10 jaar
verzorgt en zeer aan hem gehecht is. Alleen als het hard waait, wordt iets van
vroeger in hem wakker. Of als men van Schokland praat. Nooit heeft de oude kunnen
denken dat hij zijn eiland overleven zou. (Het heeft niet mogen zijn: Juni 1940
meldde men mij zijn dood).
En dan het verhaal van Teuntje Bien, die urenlang over haar geliefde "Skokkeland"
kon vertellen. Vierennegentig jaar oud is zij te Volendam, haar woonplaats,
overleden. Teunjie wist nog, dat ze bijna uitsluitend leefden van roggebrood,
besmeerd met "ottekaas": gestremde melk met zout. Op een nacht was er een schip
vergaan op de Schokker kust en de lading, bestaande uit gort, spoelde aan. Wekenlang
hebben de Schokkers niet anders dan gort gegeten, ofschoon de poes er op zat
en de lucht haast niet te harden viel. En dan de stormen en overstromingen,
de overlast van het water! Bij flinke wind uit Westelijke richting spoelde de
zee al door de buurten. Nog heugde Teuntje zich die vreselijke nachten met dat
grommen en kermen van de storm, de donkere stem. van de branding, die op de
palen brak, het ruisen der golven, dat steeds nader kwam. Dan klemden de kinderen
zich angstig aan elkaar vast of gluurden door een kier van de bedsteegordijnen
naar wat vader deed bij het walmend kolderlampje. Tot het water uit smalle reten
in de houten muur, door de kier van de deur begon binnen te sijpelen, plassen
op de vloer, die glinsterden in het zwakke licht. Steeds meer water drong het
huisje in. Het rees zo snel, dat vader haast moest maken. Wadend tot zijn enkels,
zijn knieën door het water, hielp hij eerst moeder met het hele kleine
broertje, dat jammerlijk huilde, naar zolder, waar de netten hingen. Jongens
en meisjes kregen hun overkleren, de jongsten een deken om de schouders en vader
droeg hen beurt om beurt naar de ladder. Eens kwam het water zo snel omhoog,
dat een van de broertjes verdronk, pal naast hen in het donker, want het lampje
was plots uitgedoofd. Te laat vond vader het ventje in de verwarring van dat
aardeduister en de huilende kinderen rondom; heel die vreselijk lange nacht
had het kleine, natte lijkje tussen hen in op zolder gelegen. Niet-begrijpend
waren de zusjes er dicht tegenaan gekropen en hadden het goed toegestopt, opdat
het toch weer warm mocht worden...
Teuntje Bien en Louwe Botter waren de laatste op het eiland geboren Schokkers.
Zij overleden beide in 1940 op hoge leef.tijd.