Artikel uit NiVo van 09-10-1985:
Speurend naar onze wortels
Sinds de heer Toeter in Urk alle nazaten van het voormalige eiland Schokland
bijeen heeft geroepen en er een Schokker Vereniging is opgericht, wordt er
in de publiciteitsmedia opvallend veel aandacht besteed aan dit voormalige
eiland in de Zuiderzee. Zelfs was er maandag op de radio een heel interessant
klankbeeld waarin de geschiedenis van Schokland werd vergeleken met die van
Nederland. In veel dingen loopt die gelijk op. Het moet een heel oud en historisch
plekje zijn geweest, dat als enigste overbleef toen het water het land in bezit
nam en de Zuiderzee ontstond. Het is een betrekkelijk jonge zee van nauwelijks
2000 jaar oud.
De landelijke dagbladen berichtten vorige week dat archeologen in de nabije
omgeving van Schokland in de Noordoostpolder gebeenten hebben gevonden, stukjes
werktuigen en vuurstenen die erop duiden dat hier 60.000 jaar vóór
Christus in het oude stenen tijdperk al mensen hebben gewoond! Wellicht stammen
vele Volendammers dus af van een heel oud volk. Hoezeer Volendam en Schokland
met elkaar te maken hebben kunt U lezen in een krante-artikel uit 1937, dat
uit het archief van Hans Bond (Pul) voor publikatie beschikbaar is gesteld. Dit
artikel verscheen in "De Tijd-Maasbode"van 1937, door de journalist Fred Thomas.

Teuntje van de Bel, de overgrootmoeder van dokter Bert Tuyp, die als 14-jarig
meisje de ontruiming van Schokland meemaakte.
Tijdens het interview in 1936
weet ze zich nog veel van haar jeugd in Emmeloord te herinneren.
Zware gang van een arm volk
Schokkers verlieten hun eiland
De 94-jarige Teuntje Bien heugt zich nog haar jeugd te Emmeloord
Hoe poover het leven op Schokland was
“
Zóó arm, zóó arm wazze we op Schokkeland” Zorgelijk
hoofdschuddend zit de 94-jarige Teuntje Bien voor ons in haar grooten leuningstoel
achter het raam van haar Volendammer huisje, laag achter den dijk. Zij is een
der weinige, nog levende Schokkers, op Volendam de laatste. Juist den dag vóór
haar veertienden verjaardag, dat is 10 Juli a.s. 80 jaar geleden, viel het
besluit der Regeering, waarbij de Schokker bevolking werd aangezegd het eiland
te verlaten. Toen was zij een jong, prontig ding van veertien lentes, nu is
zij een stokoude vrouw, met haar 94 jaren de oudste inwoner van het dorp.
Maar niet Volendam is haar thuis: Skokkeland, dat heeft nog altijd haar liefde,
hoe bitter arm er haar jeugd ook is geweest. Skokkeland, daar kan zij uren
over praten, terwijl haar oude oogen verhelderen en haar nauwelijks verstaanbare
stem een warmen klank krijgt.
De klederdracht
De brokstukken van het verhaal, dat zij ons doet, vormen tezamen de tragische
historie van het leven, die laatste jaren op het eiland. Nog herinnert zich
Teune van de Bel, zooals zij op Volendam heet, hoe zij op Emmeloord woonde
met een groot gezin in het heel kleine schamele huisje. Hoe zij des Zondags
wandelde naar de Middelbuurt over den eenigen weg van het eiland: een smalle
plank op palen met ter eene zijde het water, aan den anderen kant het lage,
drassige land. Toch zagen zij er netjes uit, de Schokker meisjes, zooals
zij Zondags bij pastoor Ter Schouw naar de Mis gingen. Een zwarte ondermuts
droegen zij met smal zilveren hoofdijzer en gouden knopjes. Aan die knopjes
werd de nauw sluitende hul met gouden spelden vastgestoken. Over den katoenen
borstrok kwam de bonte kraplap, waar aan den hals het omboordseltje of kantje
van het hemd uitstak, voorts een zwart greinen sluitend jak, van boven vierkant
uitgesneden en met lint omboord, onder de borst toegehaakt en boven met een
blauw lint vastgestrikt. Rok en voorschot waren van geplooide zwart wollen
stof met bont ‘stikkie’, zooals ook de meisjes en vrouwen op
Volendam dat nog dragen. Eindelijk werd een rood geruit katoenen doekje los
om den hals geknoopt. De mannen waren gekleed in een blauw wollen borstrok
met beenen knoopen, wijde broek van bombazijn, die halfweg het onderbeen
reikte, 'n rooden halsdoek los omknoopt met afhangende munt op den rug. Zondags
droegen zij een hoogen hoed.
Schip verging
Bittere armoe leden de Schokkers. Teuntje weet nog, hoe zij bijna uitsluitend
leefden van roggebrood, besmeerd met hottekaas, gestremde melk met zout.
Op een nacht was er een schip vergaan op de Schokker kust en de lading bestaande
uit gort, spoelde aan. Weken lang hebben toen de Schokkers niets anders dan
gort gegeten, ofschoon de poes er op zat en de lucht haast niet te harden
was.
En dan kwamen gestadig de stormen en overstroomingen. Bij een flinken wind
spoelde de zee al door de buurten. Nog heugt Teuntje zich die angstige nachten
met het grommen en kermen van den wind, de donkere stem van de branding, die
op de palen brak. Tot het water hun huisje binnen drong en vader den kinderen
in hun bedstee haastig de overkleeren gaf en ze omhoog bracht naar het lage
zoldertje. Een van haar broertjes is verdonken.
Verslagenheid groot
Toch was de verslagenheid groot in de Schokker gezinnen, toen op dien 10en
Juli 1859 de 70-jarige burgemeester Gillot zijn ontslagbrief kreeg en in
de daarop volgende dagen zijn gemeentenaren aan moest zeggen, dat het Gouvernement
er geen heil in zag nog langer kosten te besteden aan het behoud van hun
armelijk reepje grond. Zij kregen rustig den tijd om op te breken en op velerlei
wijze kwam de Regeering hun tegemoet. Nog ontvangt Teuntje Bien haar ‘Schokker
geld’ een wekelijksche uitkeering, die aan al degenen, die nog op Schokland
werden geboren, tot hun dood is uitbetaald.
Maar de Schokkers waren sterk gehecht aan hun grond. Zij konden buiten hun
eiland niet aarden. Zooals een Groenlander naar zijn ijsschotsen, zoo kreeg
een Schokker in den vreemde heimwee naar zijn palen. Toen de bewoners met have
en goed het eiland verlieten voelden zij zich ballingen, van den grond der
vaderen verdreven. Krachtige drang der Regeering is noodig geweest om hen tot
vertrek te beween. Bij de ontruiming van het eiland spatte dan ook het minst
vermengde be volkingsdeel van Nederland uiteen.
Naar Volendam
De Katholieke Emmeloorders gingen naar Brunnepe bij Kampen, Vollenhove en Volendam,
de Protestanten van Ens naar Urk. Ook Teuntje Bien weet nog goed, hoe ze
van Emmeloord naar Volendam is gekomen. De schipper Roelofs, "zoo'n
knappe man en erg deftig", bracht het gezin en zijn schamel bezit voor
tien gulden naar de nieuwe bestemming. Dat alles is nu tachtig jaar geleden.
Trouw verzorgd door haar kinderen slijt Teuntje haar laatste dagen in het
knusse huisje aan den Volendammer dijk bij haar schoonzoon ‘de Miuiw’ (Meeuw),
zelf al een waardige oude heer met zijn vriendelijken patriarchenkop.
En als de wind uit het Oosten blaast, de wind die van Schokland komt, luistert
zij in haar blauwe bedstee naar die stem, die zij zoo goed kent, de stem van
het water dat breekt op de woning.
Een bezoek aan Schokland
Men hoort wel eens de verzekering "waar ik het goed heb, is mijn vaderland”.
Het is is een weinig verheffend standpunt en de oude Schokkers hebben het zeker
niet gedeeld. In den Overijsselschen Almanak voor Oudheid en Letteren van 1847
vonden wij het relaas van een bezoek aan Schokland door C. Mees, waarin deze
verhaalt hoe armzalig en primitief er de bevolking leefde op het jammerlijk
stukje grond, dat zij nochtans zoo hartstochtelijk lief had. Deze Mees wandelde
in den zomer van 1847 over de loopplank op den lagen kistdam, die het eiland
beschermen moest. Zelfs bij het mooiste weer zag niets dan drassig ondergeloopen
en moerassig land, waar men bijna nergens van de Oost- naar de Westzijde droogvoets
kon oversteken. Hij achtte dit land dan ook meer voor eenden en ganzen dan
voor menschen bewoonbaar. Die wandeling over de plank was intusschen geen sinecure. “Zie
recht voor U uit als de koorddanser voor het kruis”, schrijft Mees, “een
beweging naar links doet U tusschen de palen, op de steenen of in de modder
vallen; een rechtsche afwijking zou het genot van een zeebad bezorgen. Iedere
ontmoeting met den evenmensch zou hier een botsing worden. Doch de mindere
wijkt voor den meerdere de palen naast de loopplank, hetgeen kleine Schokkertjes
met bijzondere vaardigheid en beleefdheid doen, ook al zijn ze zwaar beladen”.
De eetgewoonten
Bij zijn bezoek constateerde Mees, dat ondanks de verminderde middelen van
bestaan en de grooter wordende armoe, bevolking en huwelijken toen ondanks
dat over het algemeen uitbundig werden gevierd.
Het voornaamste voedsel was roggebrood met Friesche kaas besmeerd of met zure
melk die men liet hotten en er wat zout aan toevoegde. Visch met wortelen of
kool en meelspijs - nog eet men op Volendam een Schokker troetje: meel met
water en stroop - waren lekkernijen, bladgroente of vleesch werden bijna nooit
gebruikt.