Artikel uit De Leeuwarder Courant van 06-06-1987:
'Geen beter leven dan daar'
Jan Schuurman, de laatste 'lichtwachter' van Schokland
Tekst: Henk de Vos.
Foto's: Jan de Vries.
.jpg)
Jan en Jansje Schuurman voor de voormalige pastorie waar ze twaalf jaar eenzaam maar genoeglijk hebben gewoond.
De naam van hun huis 'Voor Anker' spreekt voor zichzelf. De bejaarde
Jan en Jansje Schuurman voelen zich er veilig na een deel van hun leven tussen
de golven te hebben doorgebracht. Dertien jaar woonden ze op Schokland toen
dat nog door de Zuiderzee omsloten was. Eerst met twee andere gezinnen, de laatste
jaren met hun beiden. Na hen kwam er niemand meer, zodat ze zich de laatste
bewoners van het eiland kunnen noemen. Nu, jaren later, denken ze, beiden in
de tachtig, in het Overijsselse Mariënberg met genoegen terug aan die tijd.
"Het was een erg romantisch leven", herinnert zij zich. En hij bekent het eerste
half jaar na zijn indiensttreding als stuwwachter aan de Vecht stil te zijn
geweest van heimwee. "Het eiland trekt. Ik kan me wel indenken dat de vaste
bewoners daar vroeger niet weg wilden."
In 1859 werden de echte Schokkers daartoe gedwongen. Dat jaar moest Schokland
worden ontruimd, omdat het eiland zienderogen afbrokkelde. Om de schade aan
het eiland te beperken, besloot Rijkswaterstaat er na de evacuatie een stenen
dijk omheen te leggen. Die dijk moest worden onderhouden, er moest dagelijks
toezicht op het eiland zijn en er moest nog regelmatig een aantal karweitjes
worden geklaard. Voor die taken werd Jan Schuurman in 1928 aangesteld.
Er waren meer gegadigden, maar Schuurman wist dat hij voorrang kon krijgen omdat
hij als visser in Vollenhove bij de slachtoffers van de naderende inpoldering
zou horen. En hij werd aangenomen. Naast het door Rijkswaterstaat betaalde kantonnierschap
werd hij ook lichtwachter, waarvoor hij van het Loodswezen een vergoeding kreeg.
Dat betekende dat hij verantwoordelijk was voor het licht van het voormalige
vuurtorentje op de zuidpunt van het eiland. Tot zijn taken behoorde ook nog
het bedienenen van een 'zelfregistrerende peilschaal', een ingenieus apparaat
waarvan het blad één keer in de drie dagen moest worden verwisseld.
Alleen op Schokland
De wat snelle benoeming gaf enige problemen, omdat hij en zijn verloofde nog
niet getrouwd waren. In die dagen was het ongebruikelijk dat ongehuwden bij
elkaar woonden. En omdat Schuurman op het bijna verlaten eiland niet alleen
wilde blijven, besloot het paar zo snel mogelijk in het huwelijk te treden.
Ondanks medewerking van het gemeentebestuur duurde het nog even voordat hij
ook figuurlijk in het bootje kon stappen en zo moest hij veertien dagen alleen
op Schokland doorbrengen. Gelukkig hield zijn vader hem het grootste deel van
die tijd gezelschap. Na de trouwerij in Vollenhove kon hij zijn vrouw meenemen.
Het echtpaar was de pastorie achter het kerkje op de Middelbuurt (waar nu het
museum is) als woning toegewezen, ver van de andere twee gezinnen die op het
noordereind in het voormalige Emmeloord bij de haven woonden. "Toen we er 's
maandags aankwamen, dacht ik wat is het hier stil en eenzaam", herinnert Jansje
zich. Maar dat duurde niet zo lang. Het leven op het eiland begon haar steeds
meer te bekoren en bovendien bezorgden de kinderen die al spoedig werden geboren,
haar volop werk. "Het mooiste was, dat mijn man altijd bij huis was. En je kon
doen en laten wat je wou. Aan wal heb ik er wel eens moeite mee dat de buren
alles wat je doet kunnen zien. Dat heb ik overgehouden uit die tijd."
Met de botter
Toch werd het wekelijkse uitstapje als een welkome onderbreking van de dagelijkse
sleur gezien. In een speciaal voor dit doel door Rijkswaterstaat beschikbaar
gestelde botter bracht haar man haar dan naar Kampen om er inkopen te doen.
In gezelschap van Jan Spit, die als havenmeester aan de noordkant van het eiland
woonde, voeren ze 's morgens samen naar de voormalige Hanzestad. Beladen met
provisie voor een hele week kwamen ze 's middags weer terug. Ook als er een
baby moest worden geboren, ging ze naar de wal voor de bevalling, want met de
huisarts in Vollenhove was er alleen maar telefonisch contact. Het merendeel
van het vijftal kinderen dat tijdens de tijd dat ze op het eiland woonde ter
wereld kwam, aanschouwde in Zwolle het levenslicht.
Het verdriette de Schuurmans echter wel wat dat de kinderen het eiland moesten
verlaten zodra ze de leerplichtige leeftijd hadden bereikt. Gelukkig gebeurde
dat in hun geval niet op hun zesde maat op hun zevende jaar, omdat het rijk
pas vanaf die leeftijd het kostgeld vergoedde. Hun tijdelijke woonplaats werd
Kampen en als vast onderdeel van hun wekelijkse tocht naar de vaste wal bezochten
Jan en Jansje Schuurman daar ook hun kroost. Het genoegen duurde niet lang:
's morgens in het speelkwartier bij school en tussen de middag in de kosthuizen.
In de vakanties was het feest, want dan waren de kinderen bij vader en moeder
thuis op het eiland.
.jpg)
Het vuurtorentje aan de zuidpunt waarop Schuurman vroeger het toezicht had, is verdwenen. Daarna zijn de fundamenten van het kerkje blootgelegd. Indertijd wist Schuurman niet dat daar ooit een kerkje had gestaan. Op de foto wijst hij in de richting waar eens zijn huis was. De foto is enige tijd terug gemaakt, toen de bomen nog niet in blad stonden.
Eigen baas
Voor Jan Schuurman was er geen beter leven dan daar. Niet alleen omdat hij eigen
baas was, maar ook vanwege het avontuur door de nieuwe dingen die op hem afkwamen.
"Ik was visserman, maar op Schokland moest ik leren schapenscheren", vertelt
hij. Die schapen hielden ze voor de melk, al was die niet zo lekker als de koeiemelk
die ze in het begin nog uit Kampen meebrachten. "Maar we moesten voor een week
inkopen en dat betekende dat we ze steeds weer moesten opkoken. Na bijna een
week was er niks meer aan", vertelt Schuurman. "Toen we er een jaar geweest
waren, zijn we begonnen melk te wecken. Dat was een ontzettend werk, maar we
hadden dan wat als de schapen droogstonden. Ze was niet lekker, maar we gebruikten
haar voor de pap en als koffiemelk."
Schuurman moest trouwens nog meer leren op het eiland. Als een aan de tijd aangepaste
Robinson Crusoé was hij slager, schoenmaker en kapper. Voor de kachel waarop
gekookt moest worden, hakte hij aangespoeld hout in stukken. Zijn vrouw begon
allengs een winkeltje te exploiteren waar niet alleen de in de haven van Schokland
aanleggende vissers en schippers maar ook de in de winter op het eiland verblijvende
rietsnijders en de grasmaaiers die er 's zomers hun werk deden, wat konden kopen.
Want het eiland zag er ook wat zijn natuurlijke begroeiing betreft anders uit
dan zoals het nu uit het vlakke polderlandschap oprijst. Het bevatte geen bossen,
maar wel veel riet en gras. "Vanaf de Middelbuurt kon je helemaal tot het noordereind
kijken", herinnert Jan Schuurman zich.
De rietsnijders werden 's maandagsmorgens gebracht en zaterdags weer geaald.
Ze overnachtten in een grote keet in de buurt van Schuurmans woning. Omdat ze
soms vanwege het weer een week achtereen niet konden werken, verveelden ze zich
vaak. Sommigen kwamen dan graag naar de voormalige pastorie om wat te praten.
In tegenstelling tot de dagen die bezigheid verschaften, waren de zondagen op
het eiland erg vervelend. Het eerste jaar, toen er nog geen kinderen waren,
kwamen ze die nog het best door. Dan liepen ze twee keer naar het noordeinde
(het voormalige Emmeloord) waar de andere vaste bewoners gehuisvest waren. 's
Morgens waren ze te gast bij Harm Smit, tweede havenmeester, directeur van de
visafslag, beheerder van het telefoon- en telegraafkantoortje en bediener van
de mistsirene. In zijn woonkamer hield hij iedere zondagmorgen een soort kerkdienst,
waarbij hijzelf een preek voorlas en zijn dochter op het orgel speelde. De preken
kreeg hij van een dominee. Er werd gezongen en gebeden tijdens die bijeenkomsten,
die vaak ook door schippers werden bijgewoond. Smit was gereformeerd, maar de
Schuurmans, die hervormd zijn, vonden die kerkdiensten erg fijn. Na het eten
liepen ze de kilometers lange weg naar het voormalige Emmeloord weer. Nu naar
het huis van Jan Spit, die kantonnier en eerste havenmeester was. Hij was eveneens
hervormd. Bij hem luisterden ze naar de preek op de radio.
Ook tijdens hun verblijf op het al veel geteisterde eiland bleef dat niet voor
de elementen gespaard. Jansje en Jan Schuurman maakten er soms benarde situaties
mee. Dat begon al toen ze er nog maar nauwelijks woonden. "De dijk aan de oostkant
was een meter breed en 1.20 meter boven A.P. en als de golven hoog waren, streek
hij er helemaal onder. Dan zaten we 'op het eiland op een eiland', aldus Schuurman.
"Nadat we op 19 november waren gekomen, begon het op 25 november vanuit het
noordwesten te stormen. We konden toen nog net bij huis komen. Het water stond
een meter van de kerkdeur af."
In december was het weer op het nippertje. "Er lagen veel schepen in de haven
en een collega van het noordeinde belde op dat veel schippers brood wilden hebben.
'We moeten maar naar Kampen gaan, het is nu nog luw', zei hij. Nu, we kwamen
wel in Kampen, maar terug op het eiland raakten we in de avonturen. Hoe dichter
ik bij huis kwam, hoe meer water. De golfslag rolde met de dijk mee. Ik moest
dan eerst stil blijven staan tot de golfslag terug ging. Anders kon ik mee worden
gesleurd. Dat gebeurde niet, maar ik stond wel tot de knieën in het water. Naderhand
zei ik, het is nu goed gegaan, maar een volgende keer doe ik dit niet weer".
Het herinnert hem aan de strenge winter van '29. Doordat het IJsselmeer bevroren
was, konden ze drie weken niet naar Kampen. Toevallig hadden ze de laatste keer
samen veel boodschappen meegenomen, zoals meel en gist om brood te bakken. Een
oventje daarvoor hadden ze al. Tijdens die winterperiode reden de auto's van
Kampen naar Urk - vanaf het eiland kon je ze in de verte zien - en gingen ze
op 5 maart nog met de slee van Schokland naar Vollenhove. De rietsnijders begaven
zich via het ijs naar Ramspol. Een hevige storm maakte het winterse beeld nog
indrukwekkender. Hij smeet het ijs metershoog on de dijk. De Schuurmans ontdekten
's morgens tot hun grote verbazing dat het ijs bij de Middelbuurt zelfs over
de ohge palen heen was geslagen. Ze hadden zo vast geslapen dat ze er 's nachts
niets van hadden gemerkt.
De inpoldering en de oorlog maakten een eind aan hun prachtige tijd op het eiland.
De laatste jaren werd het er trouwens langzamerhand minder leefbaar want met
de drooglegging naderden ook de muggen. Die waren niet alleen erg lastig, ze
maakten ook het water in de drie regenbakken ondrinkbaar. Met een tankboot moest
leidingwater uit Kampen worden aangevoerd. Toen het einde van het eiland naderde,
werden eerst nog de dijken gesloopt. Twintig mannen kwamen van het vasteland
om dat karwei uit te voeren. In de keet waarin 's winters de rietsnijders onderdak
vonden, sliepen ze in dienstkribben, die in drie lagen op elkaar gestapeld waren.
Het laatste jaar hoefde Jan Schuurman de vuurtoren niet meer te bedienen, want
dat licht was tijdens de bezetting taboe.
Toen ze in 1941 van het eiland vertrokken, was het land al zo ver genaderd,
dat ze per schip niet meer naar Kampen konden. De terugreis moest daarom via
Lemmer worden gemaakt en duurde in verband met het slechte weer vijf dagen.
Als stuwwachter in de buurt van Mariënberg heeft Schuurman zijn beroepsleven
voortgezet. Hij kwam daar, zoals hij het zelf uitdrukt, tussen de boeren terecht
en de overgang was in het begin erg groot. Later bleek de nieuwe omgeving reusachtig
mee te vallen. De hulpvaardigheid was er, zeker in die oorlogsjaren, bijzonder
groot.
Jan en Jansje Schuurman kunnen niet alleen terugzien op een werkzaam, maar ook
op een zeer bijzonder leven. Als laatste nog in leven zijnde bewoners van het
eiland Schokland zijn ze de geschiedenis ingegaan.