Artikel uit de Flevopost - Noordoostpolder van ??-10-2002:

Schokland overstroomt in 1825


Terugblikken op de Noordoostpolder en voordien

Een naar IJsselmuiden weggespoelde Schokker schuit (rechts achter schuur).
(Tekening Dirk Boele)


Door Aalt Selles

Onlangs verscheen bij de IJsselacademie een herdruk van het boek 'Beschrijving van Overijssels Watersnood in Februarij 1825', door J. ter Pelkwijk, Lid der Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel, oorspronkelijk uitgegeven in 1826. Het boek bevat een nauwgezette reconstructie van de ramp, gebaseerd op eigen onderzoek en de vaak dramatische ooggetuigeverslagen die Ter Pelkwijk van burgemeesters en andere notabelen ontving.
Het relaas, dat alle getroffen Overijsselse gemeenten behandelt, is een fascinerende beschrijving van de provincie Overijssel op één van de zwartste momenten in haar recente geschiedenis.
Het oorspronkelijke boek werd uitgegeven tot financiële steun van de slachtoffers. Er werd door honderden mensen op ingetekend.
De heruitgave is aangevuld met een historische inleiding van Frits David Zeiler en een nieuw register van persoons- en plaatsnamen van Albert Kroes. Voorts is een aantal foto's opgenomen van relicten in het huidige Overijsselse landschap die teruggaan tot de ramp van 1825. Tenslotte is een herdruk toegevoegd van de kaart van het rampgebied.

Zwaarste klappen
Dat rampgebied strekte zich voor wat Overijssel betreft uit tot voorbij Wijhe, Dalfsen en Steenwijk. Schokland lag in de hoek waar de zwaarste klappen vielen, temeer omdat het zeer slecht was beveiligd tegen hoogwater.
Hoe zag het eiland er anno 1825 uit? Citeren we Ter Pelkwijk: 'Dit eiland heeft, van het zuideinde, bij de vuurbaak tot aan den noordkant van Emmeloord, eene lengte van 4290 ellen (is 4290 meter, A.S) en dus ruim 51 minuten gaans. Te vorens strekte hetzelve nog wel 1000 ellen verder ten noorden van de buurt Emmeloord uit; doch nadat men aan de westzijde des eilands eenen zeedijk heeft gelegd, welks uiteinde aan de buurt sluit, was dit noordelijke gedeelte aan de woede der zee ovegelaten, en is dienvolgens reeds zoo goed als geheel weggeslagen. Aan de oostzijde van Schokland, welke door eene dubbele rij palen tegen de zee wordt beschermd liggen drie buurten, namelijk Emmeloord, de Molenbuurt en de Zuiderbuurt, welke beide laatste de gemeenen naam Ens dragen ( ... ). Het vlakke land des eilands, buiten de buurten, is zeer moerassig en laag, waarom hetzelve ter naauwernood tot weiding van eenige runderen en schapen dienen kan. Dit lage land loopt geheel onder, zoodra de zee tot 0.47 el boven den dagelijksche vloed rijst, hetwelk zeer dikwijls plaats vindt.'
De stenen dijk waarvan Ter Pelkwijk rept, was aangelegd in het begin van de 19e eeuw en reikte tot ruim twee meter boven normaal peil. Ze was echter gefundeerd op een zwakke ondergrond van veen en dus niet sterk. Rondom de drie woonbuurten en de vuurbaak en langs de oostzijde van het eiland stond paalwerk en liep een loopkistdam.

Rampspoed
De rampvan 1825 kwam niet geheel en al onverwacht. Ze volgde op een stormachtig en regenachtig najaar, waardoor de dijken op sommige plaatsen doorweekt waren geraakt.
Op Schokland had de storm op 14 oktober 1824 grote schade aan de oververdediging veroorzaakt. De paalwerken aan de oostkant van het eiland en aan de westkant van de buurten waren zwaar beschadigd. Een pas nieuw werk bij de Zuiderbuurt was zelfs weggespoeld. De zeedijk aan de westkant was over een afstand van twee kilometer (het halve eiland) vernield.
Een stormvloed van een maand later, op 14 en 15 november 1824, bracht gelukkig weinig vernielingen aan, maar die van 4 en 5 februari 1825 voltooide de verwoesting. Ter Pelkwijk beschreef de schade nauwkeurig en gewetensvol. Uit de paalwerken aan de oostzijde en die aan de westkant van Emmeloord en de Molenbuurt werden hele vakken weggeslagen en door het water meegevoerd, naar schatting wel 1800 zeepalen. Ze veroorzaakten veel schade op het Kampereiland en elders. Er sloeg veel grond af van de terpen. De vuurtoren op de zuidpunt werd vernield. Van de rooms-katholieke kerk van Emmeloord sloegen de muren weg zodat het altaar en de banken wegdreven. Hetzelfde gebeurde met het schoolgebouw daar en het Landsmagazijn. En in de Schokker buurten werden maar liefst 26 huizen weggespoeld en ruim 70 zwaar beschadigd, Veel schokkerschuiten werden weggevoerd en belandden, door en over dijken heen, ver weg op het vasteland tot bij Zwolle toe. Met anderen, onder meer de later bekende KP1, redden mensen zich. Het toch al doodarme Schokland onderging een reusachtige ramp.

Voorzienigheid
Erger was echter het verlies van mensenlevens. Er verdronken een man, vier vrouwen en acht kinderen. Zo was P. Mastenbroek met zijn vrouw en een kind op een dak geklommen, waar zich nog een man met zijn vrouw en drie kinderen bevonden. Het dak dreef naar zee en passeerde een schuit. De opvarenden wierpen de acht mensen op het dak een touw toe. De beide mannen werden gered, de beide vrouwen en de vier kinderen kwamen om.
Een oude weduwe met haar twee broers waren in Emmeloord op zolder geklommen. Drie mannen in een boot kwamen hen te hulp, maar de boot sloeg om. De mannen slaagden erin de schuit weer overeind te krijgen, zodat de oude mensen konden worden gered.
Ook dokter M. van Cleef was met zijn ouders naar de zol der gevlucht. De schoorsteen stortte echter in, waardoor de ouders te water raakten en verdronken. Dokter van Cleef werd door het water meegesleurd maar wist op een andere zolder te komen en overleefde de ramp.
Jannes Ruiter [*] van Molenbuurt was met zijn vrouw en twaalf anderen op zijn zolder toen het huis dreigde in te storten. Hij maakte een gat in de voorgevel om te kunnen vluchten, maar het water was te diep. Gelukkig kwamen vier palen aandrijven, waarvan hij een vlot maakte. Het was echter te glad om erop te kunnen staan of zitten. Als de nood hoog is, is de redding nabij. Een grote tobbe dreef voorbij. Jannes kon deze grijpen en vastmaken op het vlot. Daarmee bracht hij alle dertien anderen één voor één naar een veilige plek. Toen de laatste in de tobbe stapte, stortte het huis in. 'Zoo dat zonder deze wonderbare schikkingen der Voorzienigheid, al dze personen hun graf in de golven zouden gevonden hebben,' schreef Ter Pelkwijk.

{*] In dit krantenartikel en ook in het boek van Ter Pelkwijk wordt deze persoon genoemd: Jannes Ruiter. Dat moet echter zijn: Jannes Ruiten.