Artikel uit FlevoPost van 18-02-2004:

De Schokkers en hun visserij


Terugblikken op Flevoland en voordien

Onderonsje van vissers bij hun schokkers en botters in de haven.

Door Aalt Selles.

Anderhalve eeuw geleden was het vast pandoer. Wie 'Schokker' zei, zei 'visserman'. Vrijwel de hele bevolking van het eiland leefde van de vis. Had men zelf geen schuit, dan voer men als knecht op die van een ander. Bij voorkeur op die van een mede-Schokker. Ons kent ons.
In vroeger eeuwen had Schokland ook andere middelen van bestaan. Toen waren de bewoners van Ens en Emmeloord ook vrachtschippers. In 1583 kochten twee inwoners van Ens rogge en boekweit in Elburg en verkochten die in Vollenhove, Blokzijl en Ens. In 1665 werd de koophandel genoemd als voornaamste bestaansmiddel 'met wel 40 koggen'. Een eeuw later was de handelsvloot gekrompen tot acht schepen. Er werd graanhandel gedreven op Hamburg, Overijssel en Amsterdam.
Ooit, eeuwen geleden, moet de landbouw en de veeteelt van belang zijn geweest op het toen veel grotere Schokland. In 1858 schreef B. Meilink: "uit de pachten die de landbouwers er in de 16e eeuw aan boter en rogge moesten opbrengen, kan men opmaken dat de veestapel er destijds veel aanzienlijker is geweest en dat er toen vrij veel rogge verbouwd werd". Voor de verwerking van dit graan stond in Middelbuurt (ook Molenbuurt genaamd) een molen. Deze werd al in 1555 vermeld als richtpunt voor de bebakening.

Visrechten
Naar gelang in de loop van de eeuwen de Zuiderzee groter en dus het eiland kleiner werd, werd de visserij van meer belang als bestaansmiddel. Deze landafslag trad al in de late middeleeuwen in. Bijvoorbeeld door stormvloeden van 1170 en 1375 had Schokland veel te lijden. Daarom werd omstreeks 1400 begonnen met de bouw van de terpen van De Zuidert, Middelbuurt en Emmeloord. Uit de 15e en de 16e eeuw (1507 en de Allerheiligenvloed van 1570) dateren ook klachten over hoog water.
Uit deze eeuwen stammen eveneens berichten over visserij door bewoners van het eiland Schokland. Ze ondervonden daarbij problemen, want Kampen bezat het visrecht over het water tussen Schokland en de Kampereilanden. Met praten kwam men er uit. In 1479 gaf Kampen toestemming aan de bewoners van Ens en Emmeloord om hun fuiken in water bij Schokland uit te zetten. Toen in 1494 Emmeloorders hun boekje te buiten gingen was een nadere regeling nodig. Vijf jaar later klaagden Ensers opnieuw over het onrechtmatig vissen door Emmeloorders. Stadsdienaren uit Kampen verwijderden de fuiken. Er ontstond een vechtpartij, waarbij gewonden aan Kamper kant vielen. De Emmeloorders betaalden daarop smartegeld, waarna de zaak was opgelost.
In 1555 verhuurde Kampen zes visstallen aan 'de vrunden van Ens' en in 1557 huurden bewoners van Emmeloord een andere visstal. Maar de Kampenaren hielden daarbij hun eigen belangen goed in het oog. Alle gevangen vis moest in Kampen aan de markt worden gebracht. In 1662 nam de stad er genoegen mee dat dagelijks van twee schuiten de vis in Kampen werd aangevoerd. Maar alle gevangen zalm en zeetong moest wel op de vismarkt in. Kampen worden aangeboden. De Schokker predikant moest er borg voor staan.
Behalve zalm en tong was de steur in die tijd een bijzonder gewilde vissoort. Ze kon wel 150 kilo worden en werd met een zegen gevangen. De smaak deed denken aan varkensvlees. Vooral jonge steur, ter grootte van een haring, was erg in trek en werd bij massa's gevangen. Tot schade van de visstand. Ook haring was zeer gewild. Ongeveer midden maart begon deze uit de Noordzee het warmere water van de Zuiderzee op te zoeken om kuit te schieten. Was de haringvangst tegen het einde van het voorjaar voorbij, dan kwam de paling los. In de nazomer kwam de bot en de garnaal de Zuiderzee binnen. De vangst hierop duurde tot in het najaar.
Na omstreeks 1820 was de ansjovisvangst van 1 mei tot medio juli van veel belang. Nadat deze visjes, vaak door kinderen, waren schoongemaakt werden ze ingezouten in pekeltonnen en veelal uitgevoerd naar het buitenland.
In de eerste helft van de 19e eeuw bleef de visserij het belangrijkste bestaansmiddel op Schokland. De omvang van de vloot ging echter steeds verder achteruit. In 1800 waren er nog 80 vissersschuiten bemand door twee of meer personen, in 1812 nog 70, in 1846 nog 57 en in 1858, een jaar voor de ontruiming van het eiland, nog maar 45. Iedere schuit kostte tussen de 1600 en de 2200 gulden. Het viel voor een knecht dan ook niet mee er een te kopen. Met moeite spaarde hij een paar honderd gulden bij elkaar en stak zich voor de rest diep in de schuld. Een schuld waar hij vrijwel nooit vanaf kwam.

Schokkerschuiten
Bijna nog bekender dan de Schokker zelf was de naar hem genoemde schokkerschuit of schokker. Dit was een zeer oud type vissersvaartuig, vermoedelijk ouder dan de botter, welk type was ontleend aan de veel kleinere botschuit. Een schokker had een rechte stevenbalk en stak minder diep dan een botter. Het type was behalve bij Schokkers ook in gebruik bij Urkers en Enkhuizers, dus in het noorden van de Zuiderzee. Er was verwantschap met de in het noordoosten van de Zuidezee veel gebruikte punter. De schokker werd ook veel gebruikt voor de kustvisserij buitengaats.
Hoewel de naam dit niet doet vermoeden werd de schokker niet op het eiland zelf gebouwd. Ze kwamen van het kustgebied, bijvoorbeeld uit Vollenhove, Kuinre, Kampen, Blokzijl en Enkhuizen. Er is dus maar een zwakke relatie tussen Schokland, de Schokkers en de schokkerschuit. Dat dit type vissersvaartuig toch naar de Schokkers is genoemd wijst op hun grote plaats in de Zuiderzeevisserij. Welke plaats ook na de ontruiming van het eiland bleef voortduren.