Uit het Schokker Erf 28 (januari 1995):

Emmeloord rond 1800 - een impressie (1)


Het is bijna vanzelfsprekend om over Schokland en dus over Emmeloord te schrijven als zou er alleen maar over armoede en overstromingen iets te melden zijn. Gelukkig is er meer dan alleen maar kommer en kwel.
De Revolutie gaat zelfs Emmeloord niet voorbij. In 1795 wordt voor het planten van de vrijheidsboom door de regering van Emmeloord 29 gulden en 9 stuivers betaald aan bier, jenever en andere onkosten! Feest dus.
De Franse invloed heeft overigens allerlei gevolgen zoals b.v. de interesse, die ontstaat bij romantisch ingestelde schrijvers, die zo'n eilandje wel eens willen bezoeken. Uit hun beschrijvingen wordt het beeld van het dagelijks leven in Emmeloord steeds kleurrijker en vollediger. Zo lezen we dat het de gewoonte was om na een begrafenis bij elkaar te komen in de plaatselijke kroeg om een paar potten bier te drinken, meestal een sterk soort bier dat in Deventer gebrouwen werd. Vermengd met suiker en muskaat werd dit in de wintertijd heet gedronken.
De Franse toerist vermeldt verder dat het tijdens de Pinksterweek kermis is en dat iedereen dan danst en veel lawaai maakt door met potten en pannen te rammelen. Over de eetgewoonten van de Emmeloorders: het ontbijt bestaat uit gerookte of gezouten vis; het middagmaal uit een bord verse vis met aardappelen, gewoonlijk eten zij dat met hun vingers. Vervolgens wordt er een kom opgediend met gekookte meelpap, soms gort of pannekoekjes van boekweitmeel.
Verder vermeldt de schrijver dat de jongeren in de omgang tussen beide sexen geen enkele schaamte kennen. Vanaf het moment dat een jongen en een meisje vaste verkering hebben, leven ze op een intieme manier met elkaar en trouwen is dan ook meestal: moeten trouwen.
De inwoners van Emmeloord hebben in die tijd (net als tegenwoordig) te maken met verschillende overheden, zoals Rijk, Gemeente en Provincie (of Departement). De Rijksoverheid wordt, hoe kan het ook anders voor een klein eilandje, vooral belichaamd door de Dienst van Waterstaat. De verpersoonlijking hiervan was Lucas Seidel, 's Lands Opzichter. Seidel is een man die zich fanatiek om de veiligheid van het eilandje bekommert en als hij geen Seidel had geheten, dan zou hij zeker een naam als Paalman of Paalvast gekregen hebben. Hij is gek op palen!
Het Gemeentebestuur was natuurlijk de overheid, waar de inwoners het meest mee te maken kregen. Ook toen al waren er veel voorschriften. Zo lezen we in de Gemeenteraadsverslagen dat er twee burgers aangesteld worden als turftellers. Ze verdienen een stuiver voor duizend getelde turven. Ook lezen we dat tijdens de hondsdagen alle honden vast moeten liggen op straffe van een boete. Er geldt een verbod op het stoken van vuur in koekhuizen en in schuren, die met riet gedekt zijn. Als het een paar dagen vriest dan mogen de schippers en vissers hun schepen niet meer op een aangewezen plek aanleggen, omdat de plaatselijke ijsbaan (!) kans moet krijgen. De taak van Provincie of Departement tenslotte is om toe te zien of de Gemeente haar werk goed doet.
Het grappige is dat ook de Overheden, toen al, verschillende belangen kenden en met elkaar in aanvaring kwamen. Een mooi voorbeeld is de kwestie van de schelpen. In de zomer van 1808 vaart Willem Dirks, die zich later Willem Veer is gaan noemen, als veerman van Schokland naar Kampen. Komende van Kampen wordt hij betrapt op het laden van schelpen op het strand van Emmeloord. Ongetwijfeld heeft Seidel als waakhond voor 's Lands veiligheid gemeend zijn baas, opzichter-generaal Pereboom, hiervan te moeten verwittigen. Er volgen brieven aan de Schout en aan de Landdrost van Overijssel. De Gemeenteraad wordt op de vingers getikt. maar bijt schitterend van zich af.
Ten eerste heeft Willem Dirks wel degelijk toestemming gekregen om schelpen te laden, maar bovendien "heeft dit Bestuur de eer te berigten dat niet alleen het strand en de aanspoelende schulpen, maar ook het gehele terrein, zover zich het gebied van Emmeloord uitstrekt plagt beschouwd te worden als een privaat eigendom der opgezetenen van Emmeloord". De zaak wordt uiteindelijk geregeld met dien verstande dat de burgers hun recht behouden maar alleen op die plaatsen, waar de opzichter geen gevaar ziet.
Een ander twistpunt vormt het riet snijden en het steken van graszoden. Ook hier tegengestelde belangen. Waterstaat wil riet voor versterking van de dijken, maar de inwoners willen het ook, o.a. om hun daken te dekken. Het steken van graszoden ondergraaft natuurlijk de veiligheid, maar graszoden zijn ook nodig om de met riet gedekte daken te versterken.
In een brief van het Gemeentebestuur lezen we: "....ook hebben we van tijd tot tijd enige lappen grond nodig en kunnen dezelve niet ontberen zonder onze huizen of aan het gevaar van den verschrikkelijke brand of aan het omverwaaijen bloot te stellen, want daar het meeste riet, dat een bestaan voor vele armen in den Winter opleverde, nu aan den aarden Dijk gebruikt wordt en onze huizen veeltijds op hunner toppen door graszoden moeten gedekt worden, zo kan het gemakkelijk gebeuren dat bij gebrek aan dezelven gehele daken afwaaiden zoals er alreeds gebeurde..."
In dezelfde brief wordt ook aangetoond dat schelpen nodig zijn voor metselspecie, als middel om het kerkhof op te hogen en ook om de paden met een mengsel van teer en schelpen te verbeteren. Toen al was er sprake van een soort asfalteren! Ook de beruchte loopkistendam werd op die manier veiliger begaanbaar gemaakt. Al met al groeit het beeld van een redelijk moderne samenleving.
Tenslotte: het grootste gevaar is weliswaar de zee, maar ook voor wat uit de zee komt moet je oppassen, vandaar dat het Gemeentebestuur in 1798 aan Pieterties Jacob 2 gulden en 10 stuivers uitbetaalt "aan wagtloon voor de zeerovers"!
Zo kunnen de inwoners tenminste rustig gaan slapen!


Bronnen:

 

Wim Veer, Afferden.