Uit het Schokker Erf 31 (januari 1996):
Emmeloord rond 1800 - een impressie (2)
Schelpen waren, zoals we in deel 1
(Schokker Erf nr. 28) lazen, van groot belang voor onze
voorouders. De schelpen, die vooral ten noorden van Emmeloord aan
het strand gevonden werden, waren ook bij de mensen van de
Middel- en Zuiderbuurt erg geliefd. In een brief van het
Gemeentebestuur van Ens, geschreven in 1809, staat dat de
loopkistendam vooral in de wintertijd glad, glibberig en haast
niet zichtbaar was.... "dat daardoor dikwils gebeurd dat
wij bij nagt aankomende met onze natte kleederen op onze knijen
naar de buurten moeten kruijpen, hetwelk onze oude lieden dikwils
ondoenlijk is".
Daarom wordt aan de Dienst voor de Waterstaat om toestemming
gevraagd de kistdam met een mengsel van schelpen en teer te mogen
bestrooien, waardoor deze beter begaanbaar en beter zichtbaar
wordt.
Daarnaast is het verrassend te zien dat de schelpen ook nodig
zijn "om de floere onzer woningen mee te bestrooien ten
einde daardoor enige verfrissing ter conservatie van de
gezondheid te genieten." Opvallend dat hier de
gezondheid als motief gebruikt wordt. Nu is het wel zo dat het in
die dagen daar ook slecht mee gesteld was. Een provinciale
geneeskundige commissie konstateert in 1814 dat de besmettelijke
ziektes op het eiland voornamelijk veroorzaakt worden door "de
verpestende uitwaaseming der vuiligheden." Rotte vis,
mesthopen en menselijke uitwerpselen zijn daar de oorzaak van. De
schout werd dringend geadviseerd maatregelen te nemen en o.a. te
zorgen voor openbare secreten.
Begraven worden op Emmeloord kende in die dagen ook zijn
moeilijkheden. De visserij is dan zo algemeen dat er 's zomers
soms geen man meer op het eiland is. Dit leidde tot de tragische
gebeurtenis dat een van de inwoners zijn jong overleden zoontje
niet volgens oud gebruik heeft kunnen begraven, maar dit op
provisorische wijze heeft moeten doen.
Dit leidde tot een schandaal, en de burgemeester van Emmeloord
besluit dan om wat eigenlijk een oud gebruik was, nu bij wet vast
te leggen: "namentlijk dat voortaan gene van onze
Burgers, wie het ook zijn moge, van de wal vaaren op die dag,
wanneer er een dode zal begraven worden, opdat het lijk
behoorlijk om twee uur begraven kan worden." De mannen
moeten dus op het eiland blijven om mee te kunnen begraven naar
oud gebruik.
Overigens betekent de totale afhankelijkheid van de visserij
natuurlijk een grote kwetsbaarheid. In geval van tegenslagen
leidde dit tot dramatische toestanden. Een aantal jaren eerder
(1775) wordt door felle vorst en het ijs enorme schade
toegebracht aan de netten. Een aantal van 525 netten is dan
verloren gegaan, totale schade 1200,--. Of het aantal enigszins
overdreven zal zijn of niet, het zal zeker een enorme ramp
geweest zijn. Als in die tijd ook nog eens hooi van elders
ingekocht moet worden wegens slechte omstandigheden, dan is het
duidelijk hoe afhankelijk de mensen waren van
weersomstandigheden. Niet gespeend van enig gevoel voor dramatiek
en galgehumor schrijven de burgemeesters in die tijd: "....dat
de onkosten voor de gemeente door het nodige dijken van jaar tot
jaar groter worden, de belastingen van tijd tot tijd swaarder en
het Eijland van dag tot dag kleiner...."
Gelukkig komen na de magere jaren ook weer wat betere tijden.
Nauwelijks 10 jaar na deze ramp moet de Amsterdamse
stadsarchitect J.S. Creutz verslag uitbrengen aan zijn Regering
over de vraag of het de moeite loont Emmeloord te behouden of het
anders maar ten prooi voor de zee te laten. Andere adviseurs
hebben dit al eerder aan het Amsterdamse gemeentebestuur
geadviseerd! De stadsarchitect echter schrijft: "in deez
opzigten is Emmeloord de bekwaamste van de drie buurten op dit
Eijland, aangemerkt dat alhier nog 30 à 40 melkbeesten
onderhouden worden, en teffens enige putten, twee deegenbakkers
en een bakoven voorhanden zijn, en op deez buurt altoos een
genoegzame voorraad van brood, bier en turff en sterken drank is,
daarentegen op Enz uit gebrek aan wijland niet meer als 3 à 4
melkbeesten van de vuurstoker onderhouden worden, waarbij nog
komt dat Emmeloord de volkrijkste buurt zijnde, het best
assistentie kan bieden aan scheepen, die 's winters in eijs en
anderzins raaken."
De buurt is kennelijk weer een beetje uit het dal geklommen.
Een collecte voor het door overstroming getroffen Vlissingen
(1807) brengt f 18,-- op en een maand later voor de ramp in
Leiden f 25,--. De armen op het eiland worden overigens niet
vergeten. Er is een armenpot, waar o.a. geld van bekeuringen in
terecht komt en gezien het aantal ge- en verboden zijn dat er
ongetwijfeld heel wat geweest. Zo mogen er b.v. geen schapen in
het land gedreven worden voordat de koeien in de wei komen, op
boete van f 3,-- ten profijte van de armen. Bij een tweede
overtreding wordt het schaap verbeurd verklaard en het vlees
onder de armen verdeeld, met nog een extra boete van f 25,--.
Ook de tamelijk nonchalante houding van onze voorouders t.a.v. de
veiligheid van hun eiland brengt op deze manier geld in het
laatje. Niet alleen worden de mensen regelmatig gemaand geen vee
op de dijk te laten grazen, maar na een klacht van opzichter
Seidel schrijft het Gemeentebestuur aan de inwoners: "....geen
staaken ter drooging van netten of kleederen te steken in de om
dit Eiland nieuw aangelegde dijk, of uit een buitenglooiing
steenen te trekken en te leggen op de langs de dijk ter bleeking
geplaatste linnen of kleederen, waardoor deze zo heilzame
zeewering baarblijkelijk geschonden en benadeeld wordt."
Zo blijkt dat er nog ontzettend veel informatie over ons dierbare
eilandje te vinden is. Soms niet altijd gemakkelijk te vinden
omdat de informatie over het hele land verspreid ligt opgeslagen.
Gelukkig heb ik een niet aflatende speurder in mijn vrouw Els
Veer-Hanneman!
Dat het soms ingewikkeld is, is niet zo vreemd wanneer je de
vertwijfeling van onze voorouders zelf leest. In 1807 schrijft
het Gemeentebestuur aan de landdrost: "Mijn Heer de
Landdrost! Zonderling is waarlijk het lot dezes dorp; eertijds
een eigendom der Graven van Cuinre behoorden wij waarschijnlijk
onder Overijssel. Door verkoop van eigendom der stad Amsterdam
geworden, zijn wij dus van provinciale jurisdictie veranderd.
Zedert de Revolutie van 1795 onder de Domeinen van het gemeene
Land gebragt, zijn wij successievelijk van Holland tot
Overijssel, en van Overijssel weder tot Holland overgegaan. Bij
de invoering van het nieuw finantieel stelsel wierd onze
finantiële betrekking veranderd, doch door de civiele bleef,
echter zoo dat wij voor Overijssel en voor Holland dood schenen,
gemerkt dat wij in den tijd van drie maanden van geene der beide
departementen eenige aanschrijving ontvingen, tot wij van ons
werkelijk aanwezen bij messive het Departement van Holland
overtuigden. Bij Resolutie van den 13e April l.l. in alle
betrekkingen onder Overijssel gesteld, communiceerde ons nogtans
de heer Landdrost van Amstelland zijn installatie en zond ons
alle zodanige staatsstukken...."
Kom daar maar eens uit! Een schrale troost voor beginnende
onderzoekers!
Bronnen:
Wim Veer, Afferden.