Uit het Schokker Erf 33 (september 1996):
Emmeloord rond 1800 - een impressie (3)
Het veer en de veerman
Op 12 december 1811 stapt een man van 56 jaar het stadhuis van
Kampen binnen. Zijn naam: Willem Dirks. Kort daarna komt hij naar
buiten als Willem Veer. Vanwege de verplichting om vanaf die tijd
een familienaam te hebben, neemt hij voor zichzelf en zijn beide
zonen de naam Veer aan.
Veer? Waarom Veer? Was het zomaar een willekeurige naam, woonde
hij bij een veer, of was hij misschien zelf veerman? Dit laatste
leek waarschijnlijk omdat zijn zoon jaren later als veerschipper
van Kampen op Alkmaar vaart. De archieven in Kampen geven het
antwoord.
In 1797 wordt Willem Derks als veerman van Schokland op Kampen
meerdere malen genoemd. Hij wordt o.a. betaald voor het halen en
bezorgen van kalk en vloertegels voor het huisje van de
vroedvrouw op Schokland, voor het halen van de sleutel van het
kerkhof en voor het halen van de speelbollen (n.b.: als er een
lezer is die weet wat dit woord betekent, dan zou ik dat graag
horen).
In het Oud Archief te Kampen bevindt zich een brief uit Emmeloord
d.d. 22 mei 1796, met de toevoeging: het tweede jaar van de
Bataafsche Vrijheid. De brief is gericht aan de Municipaliteit
van de Stad Kampen en ondertekend door de secretaris van de
gemeente Emmeloord: Mommende.
In de brief staat: "Op versoek van den burger Willem
Derks, woonagtig te Kampen, ons vriendelijk versoekende dat hij
gaarne van ons permissie zoude mogen erlangen om goederen van de
Stad Campen na ons Eijland Emmeloort en van dezelve weder na
Campen te mogen vervoeren."
Het antwoord uit Kampen komt snel: een maand later wordt aan
Willem Dirks vergunning verleend om goederen te transporteren "van
hier op Emmeloord viceversa."
Wie is deze in Kampen wonende Willem Dirks? Het feit dat
Emmeloord het verzoek doet, doet al vermoeden dat het hier om een
Schokker gaat. Inderdaad: Willem Dirks blijkt in Kampen de
bijnaam "van Emmeloord" te hebben. Hij is op
Emmeloord geboren op 2 oktober 1755 als zoon van Dirk Willems en
Maria Dirks. In 1790 wordt hij ingeschreven in het Burgerboek van
Kampen.
Kennelijk blijft hij goede banden houden met zijn geboorteplaats,
want in 1794 komt hij in de maanden juni en juli met o.a. zijn
vader voor op een lijst als dagloner bij 's Lands Werken in
Emmeloord.
Het veer op Kampen vaart twee keer per week. Het is bekend dat de
schipper zelf voor zijn schip verantwoordelijk was. Er gelden
strenge regels. Jaarlijks moet het schip door de scheepstimmerman
gecontroleerd worden en het touwwerk moet door een touwslager
beoordeeld worden. Een soort APK-keuring dus, wat voor de
schipper toch de nodige kosten betekende.
"Tot dit veer worden ordinair kleine vaartuigen gebruikt
van plusminus 10 à 14 tonnen, en kunnen nadien meer of minder
vracht aan boord, circa 30 mannen transporteren."
Behalve goederen en personenvervoer is het veer ook bij uitstek
het middel om brieven op de plaats van bestemming te krijgen. De
veerman heeft de verplichting de brieven aan huis te bezorgen.
Schout Seidel van Schokland pleit in zijn brief aan de stad
Kampen zelfs nog voor meer: "ook zoude het zeer te
wenschen zijn, dat de aankomende goederen niet willekeurig aan
het eene eind van de buurt, maar geregeld zo na doenlijk voor
ieders huis mogen worden aan- en opgebragt, omdat bizonder
dezulke welke negotie doen bij herfstdag, wanneer men soms diep
door de slik moet waden, niet verplicht worden zwaare pakken of
vaten zeer ver en bijna ondoenlijk te versjouwen."
Om het systeem van beurt- en veerdiensten goed te begrijpen is
het nodig te weten dat:
a) beurt- en veerschippers het uitsluitend recht hebben om tussen
de plaatsen die de overeenkomst met elkaar gesloten hebben,
goederen en personen te vervoeren;
b) er altijd op vaste, geregelde tijden gevaren wordt;
c) alle prijzen, zowel voor personen als voor goederen, tot in
details vastgesteld zijn.
Wat betreft het eerste punt, het uitsluitend recht voor de
veerman, daar wordt streng op toegezien. Zelfs op dagen dat de
veerman niet vaart mogen anderen niet onder zijn duiven schieten.
Piet Mastenbroek, die na Willem Dirks de functie van veerman
tijdelijk (1815-1818) waarneemt, ondervindt dit heel duidelijk.
In 1820 schrijft de schout Lucas Seidel een brief aan de gemeente
Kampen: "er zijn echter bizondere personen en wel in het
bizonder de persoon Mastenbroek, welke voortijds dit veer slordig
heeft waargenomen en thans bestendig bezig is de veerman te
benadelen door, zodra de veerman voor een reisje naar elders ofte
naar de helling is, voor anderen goederen overvaart."
Seidel waarschuwt de ambtenaren in Kampen er op toe te zien dat "niemand,
en wel bizonder voornoemde Mastenbroek, hetzij op veer- of andere
dagen voor anderen goederen mogen innemen."
Wat betreft het tweede punt: tegenover dit uitsluitende
(voor)recht staat de verplichting, waar de veerschipper zich aan
te houden heeft, namelijk dat hij op geregelde tijden moet varen.
Vol of niet vol, hij dient stipt op tijd en via de afgesproken
route te varen. Ook aan deze verordening wordt zwaar getild. Toen
de al eerder genoemde Mastenbroek het veer bediende (van 1815 tot
1818) werd hij door de Schout aangeklaagd.
Deze laat weten: "ik moet tot mijn leedwezen ondervinden
dat bij het bedienen van het veer van de Stad Campen op Schokland
buiten en behalve andere gebreken, bizonder plaats heeft dat er
geen bepaalde tijd van afvaren gehouden wordt en dat de schuyt
soms van de eene buurt, Emmeloord, afvaart zonder dat men op een
ander, hetzij Molen- of Zuiderbuurt, er kennis van heeft".
Als een veerman niet op tijd vaart is het dus goed mis!
In de periode dat Willem Dirks veerman was (1797-1815), was op
tijd varen niet altijd gemakkelijk. We moeten wel bedenken dat in
de periode rond 1800, de zogenaamde Franse tijd, ons land op
gespannen voet met Engeland leefde, en Engeland was vooral heer
en meester op zee, ook op de Zuiderzee.
In 1799 wordt door de stad Kampen een schip uitgezonden om de
vaart naar Schokland te beoordelen. Er wordt geconstateerd dat de
toestand zeer gevaarlijk is. Een Engels schip maakt jacht op
verschillende schepen en daarom "wordt alle vaart uit de
havens van dit Departement, behalve voor de gewone veerschepen,
provisioneel verboden weegens de onveiligheid van de zee."
Willem Dirks heeft als veerman dus een gevaarlijke baan!
In datzelfde jaar wordt geconstateerd dat Schokland nog wel niet
in handen van de Engelsen is, maar dat op twee buurten al de
Hollandse (prinselijke) vlag waait, maar niet op Emmeloord! Dit
laatste is niet zo verwonderlijk, omdat het katholieke Emmeloord
nu eenmaal meer te verwachten had van de eveneens katholieke
Fransen.
Het is goed voor te stellen dat de baan van veerschipper
onvoldoende inkomsten verschafte, omdat de schipper er maar twee
dagen per week werk mee had. Dat betekent dat hij op de een of
andere manier zijn inkomsten moet zien te vergroten. De in 1818
aangestelde veerman Dubbel Floris Sul schrijft aan de Schout van
Schokland een smartelijk briefje, waarin hij om een "jaarlijks
tractementje" vraagt: "Terwijl ik het
voorrecht geniet als veerman op Campen aangesteld te zijn is het
echter Uedele niet onbekend dat dit veer een zeer sobere
broodwinning is en ik mij dus bezwaarlijk in staat bevinde om
datgeene hetwel verijscht wordt, aan mijn schuijtje te
doen." Onze veerschipper Willem Dirks pakt ook van
alles aan om wat meer brood op de plank te krijgen.
Eerder (Schokker Erf nr. 28) vertelde
ik al dat hij bij het laden van schelpen betrapt werd. Na veel
geharrewar tussen verschillende overheidsinstanties bleek dit
toch geheel legaal te gebeuren. Ook doet Willem een poging om bij
de gemeente Kampen begrip te krijgen voor zijn verre van
rooskleurige loon. Hij schrijft daartoe een brief om vrijstelling
te krijgen voor het betalen van het zogenaamde "Paardegeld".
Dit vraagt om enige nadere uitleg. Omdat Kampen geen zeehaven
was, moesten alle binnenkomende schepen nog een heel eind via het
Ganzediep of de monding van de IJssel varen om bij de stad te
kunnen komen. Bij tegenwind, windstilte of mistig weer was dat
haast niet doenlijk en werden de schepen door de paardeboer
opgewacht en via het jaagpad op sleeptouw genomen. De paardeboer
was door de stad Kampen officieel aangesteld. Willem Dirks
probeert vrijstelling van deze sleepkosten te krijgen, maar
tevergeefs. Hoewel Kampen aangeeft erg veel begrip voor zijn
probleem te hebben gaat het toch niet door.
Gelijke monniken, gelijke kappen, iedereen moet betalen. Ook via
andere manieren proberen veerschippers er nog wat bij te
verdienen, o.a. door het aanvoeren van vis op de markt. Er gelden
namelijk nogal wat regels voor de veerschippers, die er vooral op
neerkomen dat zij hun meegebrachte vis alleen via de visafslag of
in ieder geval met toestemming van de marktmeester mogen
verkopen. En hoewel nergens met zoveel woorden Willem Dirks
genoemd wordt, zal het zeker voor een Schokker een doodnormale
zaak geweest zijn.
In 1815 blijkt de post van veerschipper vacant te zijn. Misschien
dat de aangescherpte eisen t.a.v. het onderhoud van zijn schip
reden was voor Willem om er mee te stoppen. Misschien ook vond
hij het na bijna 20 jaar welletjes. Hoe dan ook: zijn baan zal
van grote invloed geweest zijn op zijn leven, en door de naam
Veer aan te nemen lijkt hij dit zelf duidelijk te onderstrepen.
Bronnen:
Gemeente-archief Kampen: Nieuw Archief Schokland;
Gemeente-archief Kampen: Oud Archief, uitgaande en ingekomen
stukken.

Doopinschrijving van Willem Dirks (Veer) in
het r.k. doopboek van Emmeloord, d.d. 2-10-1755:
Anno 1755, die 2 octobris baptizatus est Willebrordus Dircks,
filius legitimus Theodori Wilms et Maria Dircks.
Levante, Eva Bruijns nomine Joanni Dircks.
Wim Veer, Afferden.