Uit het Schokker Erf 35 (mei 1997):
Emmeloord rond 1800 - een impressie (4)
Scheepsregistratie, botvangen en andere kopzorgen van vissers.
KP (Kampen), VD (Volendam), UK (Urk), BU
(Bunschoten), VN (Vollenhove), wie kent niet de bekende
afkortingen, aangebracht op de vissersschepen? Zo was het in het
begin van deze eeuw en is het gedeeltelijk ook nu nog het geval.
Het laat op zijn minst zien waar een schip thuishoort.
Maar hoe was dat vroeger, rond 1800, en met name in de zogenaamde
Franse tijd, toen Nederland bij Frankrijk ingelijfd was? Gelukkig
voor ons werd er ook in die tijd uitgebreid geregistreerd,
waardoor er nog heel wat van gewoontes en bijzonderheden van onze
voorvaderen bewaard is gebleven.
De vissersschepen waren in die tijd ongeveer 20 voet lang, 10
voet breed, en 3 tot 4 voet hoog, en dat resulteerde in een
tonnage van 12 tot 15 ton.
Vooral tijdens de inlijving bij Frankrijk gingen de
"Franse" administrateurs er eens lekker voor zitten. Ik
wil u de volgende (willekeurige) acte als voorbeeld niet
onthouden. Deze stamt uit 1811:
"L'an mile dix huit cent onze (die administrateur
kende zijn Frans nog niet zo goed!) le 12 may est comparé
devant Nous, Juge de Paix, Canton Kampen, Arrondissement Zwolle,
Département des Bouches de l'Yssel, Willem Dirks, maître d'un
Barque, demeurant à Schokland, qui a affirmé que la Barque,
nommé le Jeune Willem, appartenant au Port de Kampen, est un
barque à Poisson, contenant 14 tonneaux, suivant le Certificat
de l'Etalonneur Juré, a eté construit à Cuinre dans l'anneé
1804, qu'il est proprietaire unique du dit Barque et qu'aucun
autre personne quelqu'on qu n'y a droit, qu'il est citoyen de
France, soumis et fidêle à la Constitution de France, qu'aucune
Etranger n'est directement ou indirectement intéressé dans le
sudit Barque."
De wat kromme en gebrekkige Franse tekst laat zien dat het voor
de gewone ambtenaar nog niet zo gemakkelijk was zijn werk in het
Frans te doen. In het kort komt de vertaling hierop neer dat (in
het geval van Willem Dirks) De Jonge Willem, groot 14 ton,
gebouwd in Kuinre in 1804, als zodanig geregistreerd is en dat de
eigenaar bevestigt dat hij de enige bezitter is en bovendien
Frans staatsburger, en dat geen enkele buitenlander iets met het
schip te maken heeft.
Aardig is dat elke schipper dus moest horen dat hij Frans
staatsburger was, onderworpen en trouw aan de Grondwet van
Frankrijk. Ik ben benieuwd hoe onze voorvaderen daarover dachten!
Deze acte laat zien dat de vissersschepen van de Emmeloorders in
de haven van Kampen ingeschreven staan.
De genoemde Willem Dirks noemt zijn schip De Jonge Willem, niet
bijster origineel, maar dat zal in die tijd de gewoonte zijn
geweest. Van de 45 Schokkers die eigenaar zijn, luiden de meeste
namen van schepen soortgelijk, b.v. De Jonge Maria, De Jonge
Dirk, De Jonge Jacoba, enz. Er worden zowel jongens- als
meisjesnamen gebruikt.
Er zijn een paar bijzondere namen bij: Evert Alberts vaart met
Het Heil (Le Salut), Evert Klaassen stelt vertrouwen in De Oude
Adam, terwijl Jan Peters het toch maar op De Jonge Eva houdt.
Jacob Jans vaart met De Hosanna, Klaas Alberts Klappe met Het
Geluk, Reurik Teunis met De Goede Verwachting, Peter Dirks met
Het Fortuin en Jan Willems Bien en Willem Teunis zijn kennelijk
de leuksten thuis, zij noemen hun schip respectievelijk De Jonge
Schelvis en De Zoute Haring (L'Harang Salle). [1]
Zo zien we dat zelfs een saai onderwerp als scheepsregistratie
nog leuke dingen kan opleveren.
De agent van de Nationale Economie der Bataafse Republiek
vermeldt in zijn verslag van 1800 dat de vissers van Emmeloord
zowel op de Noordzee (schelvis, tong en rog) als op de Zuiderzee
(panharing, bot en aal) vissen. De haring wordt vooral in Muiden
verkocht, de overige vis in vele andere plaatsen, zoals
Amsterdam, Zwolle, Enkhuizen en Medemblik. [2]
Nu was vissen in oorlogstijd niet altijd even simpel. Tijdens de
zomer van 1803, op zondag 3 juli, vergadert de voltallige
burgerij van Emmeloord. Plaats van handeling: voor het
Gerechtsgebouw. Onderwerp: de "gesloten visserij op de
buitenzee". Omdat er door de Emmeloorders regelmatig op
de Noordzee werd gevist betekent dat natuurlijk een enorme strop.
Besloten wordt een delegatie naar Den Haag te sturen. Twee
burgers, Jan Stevens en Albert Everts vormen samen met de
secretaris Mommende de commissie.
Op dinsdag 5 juli vertrekt het gezelschap om vervolgens donderdag
7 juli in Den Haag te arriveren. Daar krijgen ze te horen dat ze
de zaak schriftelijk moeten aankaarten. Voor met name Mommende,
die altijd graag en uitvoerig zaken op schrift stelt, een kolfje
naar zijn hand. Na twee uur wachten mogen ze terugkomen bij de
President van de Marine, Dhr. van Rooyen.
Op zondag 10 juli is de commissie terug van de "Haagse
Reize" in Emmeloord, om verslag te doen. Er is een
soort oplossing gevonden, een compromis: de vissers mogen
uitvaren, maar mogen bij gevaar van de vijand (Engeland) en 's
nachts, van zonsondergang tot zonsopgang, niet verder dan een
mijl van de wal af zijn. Albert Alberts Klappe wordt aangesteld
als "seinmeester", en is verantwoordelijk voor
de handhaving van de regels. Iedere burger moet hem gehoorzamen,
op straffe van boete. [3]
Een echte oplossing is het niet en het blijft behelpen. In 1808
klaagt de burgemeester van Kampen over de achteruitgang van de
botvangst, een specialiteit van de Brunneper vissers, en vraagt
om compensatie. Een van de redenen van de achteruitgang is dat
andere vissers, o.a. die van Schokland, zich, anders dan in
vredestijd, ook op de botvangst toeleggen. [4]
In 1811 is het nog (of weer) mis. Gedwongen door de slechte
visstand op de Zuiderzee moeten de vissers wel uitwijken naar de
Noordzee.
Burgemeester Gillot: "Door de Municipale Raaden en de
visschers van Schokland word mij geklaagd dat zij niet langer in
staat zijn hun brood te verdienen, dewijl zij heden thans niet
anders dan op de Noordzee kunnen vaaren om te visschen, maar daar
de Admiraal van 's Rijks oorlogsschepen, leggende op de Rhee van
Texel, het uit- en invaaren der visschers van deze Gemeente
geheel belet en daar er thans bijna geheel geen visscherij buiten
de andere zeegaten is, verscheiden visschers het gewaagd hebben
een ander zeegat uit te vaaren, doen mij voor de vreselijkste
gevolgen vreezen."
En even verderop: "....alle dagen niet meer dan 15
visschuiten te laten passeren, waardoor zijlieden zeer
grootelijks benadeeld worden in hun broodwinning, terwijl er een
zoo groot aantal visschers zijn van deez en andere Gemeentes,
zoodat zij nauwelijks om de 13 à 14 dagen een beurt krijgen om
te passeren."
Op de brief van de burgemeester komt een verlossend antwoord, dat
inhoudt dat de maatregel wordt ingetrokken en dat voortaan iedere
visser kan passeren! Toch nog een meevaller bij alle narigheid!
Noten:
Wim Veer, Afferden.
Opmerkingen van de redaktie:
De seinmeester Albert Alberts Klappe werd op
2-4-1769 gedoopt op Emmeloord als zoon van Albert Claessen Klappe
en Grete Dubbels Schout, en stierf 15-9-1808 op Emmeloord. Hij
trouwde op 27-5-1799 op Schokland met Marrijtje Willemsen Kok.
Zij was 23-11-1779 gedoopt op Emmeloord als dochter van Willem
Jansen Kok en Aleid Albers Mossel, en stierf op 19-8-1832 op
Emmeloord ten gevolge van cholera.
Klaas Alberts Klappe van Het Geluk was een oudere broer van
bovengenoemde Albert Alberts Klappe. Hij werd op 26-9-1766 op
Emmeloord gedoopt, en stierf daar op 2-10-1817. Hij trouwde op
2-12-1793 op Emmeloord met Lijsje Willems Ouderling. Zij werd op
29-9-1770 op Emmeloord gedoopt als dochter van Willem Dirks
Ouderling en Petronella Jans Bien, en stierf daar op 10-12-1800.
Klaas Alberts Klappe hertrouwde 24-6-1809 op Emmeloord met Maria
Jacobs Koridon, gedoopt 13-12-1769 op Ens als dochter van Jacob
Jansen Coridon en Maria Everts Gosen. Zij was de weduwe van Jan
Alberts Karel.
Jan Willems Bien van De Jonge Schelvis werd 22-8-1770 op
Emmeloord als zoon van Willem Jansen Bien en Lumme Dircksen Been.
Hij overleed 19-8-1832 op Emmeloord ten gevolge van cholera.
Naar de gegevens van de overige personen wordt nog onderzoek
gedaan.