Uit het Schokker Erf nr. 23 (mei 1993):
Een
bezoek op het eiland Schokland,
op 2 september 1858
Vele lezers zouden welligt huiverig zijn om met ons een kijkje
te nemen op het arme Schokland, vooral als wij niet alleen het
eiland in den ganschen omvang willen beschouwen, maar ook de
woningen binnengaan, den diep vervallen toestand der opgezetenen
van nabij gadeslaan en ons eenigszins vertrouwelijk met dat
volkje trachten te maken; want vertrouwelijk te zijn is de
voorwaarde welke gevorderd wordt om tot het hart door te dringen.
Voor de derde maal bezochten wij het eiland Schokland, nu onder
het vooruitzigt, dat de 650 aldaar aanwezige personen dat eiland
allen zullen moeten verlaten, en nog geheel onbekend zijn met
hunne aanstaande vestiging.
Het was op den morgen van den 2 September dezes jaars ten
ongeveer 10 ure, dat wij ons met gezelschap aan boord begaven der
marktschuit van Genemuiden naar Schokland; door eene aangename
zuidwester koelte begunstigd, waren wij reeds in 2 uren 15
minuten op het eiland.
Wij stapten aan wal nabij de weverij op Emmeloord, zijnde het
noord-westelijk gedeelte, welks bewoners, op een of twee
huisgezinnen na, allen de R.C. godsdienst belijden, ten getale
van ongeveer 450. Het is op dit gedeelte dat al dadelijk
achteruitgang en diepe armoede te bespeuren is, hetgeen sedert
1852 nog aanmerkelijk verergerd is, en waarvan de sporen zigtbaar
waren op het gelaat der onderscheidene bewoners; ziet daarenboven
den vervallen toestand der gebouwen, vele waarvan de daken en
wanden bij den storm van 25 Julij jl. zoodanig waren gehavend,
dat zij waarlijk onbewoonbaar zijn; verder den vervallen toestand
van schuiten en vischwant; het bedrijf daarbij met den dag
achteruitgaande; de vangst slecht, de paling, anders een voornaam
gedeelte van het bestaan, door ziekte telkenjare aangetast, pas
gevangen en onmiddellijk dood.
Treurig wordt op dat Emmeloord de gemoedsstemming, wanneer men
zich herinnert de welvaart die hier, betrekkelijk, vroeger
heerschte; en toch, hoe duidelijk de ellende op de aangezigten,
in de woningen en alles wat zich daar aan het oog vertoont, zich
ook teekenen moge, er staat iets eerbiedwekkends tegenover, dat
voor den vastelandbewoner een meer gezegende belangstelling voor
hen doet ontstaan: het is die stille gelatenheid in het lot, het
is de kinderlijke onderworpenheid, en, wat men ook daartegen moge
aanvoeren, het is die eerlijke openhartigheid, die men zoo weinig
bij de eilandbewoners aantreft, en waarin Schoklands opgezetenen
eene uitzondering maken.
Op dit eiland is eene katoenweverij, vroeger gedreven voor
rekening van gebroeders Salomonson te Almelo, doch welke thans
gelukkig stilstaat; die welligt veel geld op het eiland aanbragt,
maar daarentegen het kapitaal der zedelijkheid niet deed
toenemen.
Wij bezochten de haven, den Noord-Westhoek, alwaar de schelpen
bijna geheel doelloos aanspoelden. Een der voornaamste
opgezetenen, Florus, was voor eenige dagen overleden; men treurde
om dien brave man en de weeklagt kwam ons al spoedig tegen: och
moat Florus is hin e geen, dat is gestorven, hetgeen voor
velen een groot verlies werd geacht, om zijne zucht en vermogen
om voort te helpen, hetgeen dan ook wel de oorzaak zal zijn dat
hij de grootste crediteur der Schokkers is.
Wij zullen van de ambtenaren, zoo R.C. pastoor, den heer H.F.J.
ter Schouw, en hoofd-onderwijzer, Legerbeeke niet spreken, omdat
bij dezen èn woningen èn in- èn uitwendig voorkomen zeer
verschillen met die der overige bewoners, en deze nog wel eens
watertandende zullen maken. De pastoor is er nog zeer kort, en
diens welgeoefend oog heeft den toestand van Schokland als zoo
onhoudbaar bekend doen worden, dat het aan zijn volhardenden
ijver mede is te danken, dat de aandacht van het gouvernement op
de ontvolking bepaald is gevestigd geworden. De heer Legerbeeke
is reeds 26 jaren op Schokland gevestigd geweest. Zijne gulle
ontvangst, voorkomendheid, gevoegd bij zijne zucht voor het
welzijn der Schokkers, nemen u voor hem in; daarbij die lange
jaren ondervinding, zij heeft hem meer dan anderen in staat
gesteld den feitelijken toestand mede te deelen, de oorzaken van
verval, enz.
De haven is zeer doelmatig en goed onderhouden, voor de Friesche
vaart en voor de visschersschuiten zeer nuttig; zij is echter
niet diep, door de aanhoudende aanslibbing. Het kerkhof, voor de
R.C. bestemd, op Emmeloord, is geheel open; indien het niet wordt
aangewezen, men zal het gewis voor geene rustplaats der dooden
houden. De aangebragte schelpen duiden de graven aan.
Het R.C. kerkgebouw is nog niet zeer oud; het werd met de
pastorie in 1842 van Rijkswege herbouwd, waarvan de kosten om de
10.000 hebben bedragen; men vindt er eene doopvont in van
gehouwen steen, in 1846 door eenige visschers gevonden tusschen
Schokland en Urk, en door hen aan de R.C. kerk ten geschenke
gegeven.
Wij zullen van Emmeloord, ook wel Noorderbuurt genaamd, afstappen
en ons begeven naar Ens of Molenbuurt, ook wel Middenbuurt
genaamd of oude Kerk- en Zuiderbuurt; maar nu, pas op uw tellen,
vooruitzien is hier hoogst noodig, want eene loopplank,
grootendeels zonder leuning, geleidt ons derwaarts; zij is
slechts 3 palmenbreed, 20 minuten lang, eenerzijds de zee,
anderzijds slik en moeras of wel kei en puin. Op die wandeling is
aan de westzijde het overblijfsel van vroeger deugdzaam land,
waarop weleer 150 koeijen, 3 paarden en eenige schapen en geiten
hebben geweid; thans zal het getal koeijen 12 bedragen en
ongeveer 150 schapen, terwijl daar, waar voor korte jaren nog
geweid werd, thans de aalkubben onder water staan; de toestand
van die weilanden is allerellendigst; men schrijft dien
achteruitgang toe aan het wegnemen der dijken, het vergraven van
gronden enz.
Ens of de Molenbuurt bevat ongeveer 200 inwoners, die bijna allen
tot de Hervormde Godsdienst behooren, waarvoor dan ook in 1833
een nieuw kerkgebouw, en pastorie, is opgebouwd, ter vervanging
van de kerk welke 10 Augustus 1717 was ingewijd. Evenmin als op
Emmeloord de gebouwen voor de R.C. Eeredienst, zou men hier zulke
doelmatige gebouwen voor de protestantsche gemeente verwachten,
en is Schokland ontvolkt, men zou mogen wenschen dat zij in
hulpbehoevende gemeenten konden worden overgebragt.
Ens maakt een treffend contrast met het zoo even verlaten
Emmeloord; immers hier heerscht zekere netheid die men op het
laatste mist; men zoude haast zeggen dat zij niet tot hetzelfde
eiland behooren, vooral door het opmerkelijk verschil in spraak
en gewoonten, ja zelfs in kleeding. Er schijnt op Ens nog eenige
welvaart te heerschen; althans de woningen zijn algemeen beter in
staat gehouden, de kleeding is degelijker, het inwendige der
woningen beantwoordt hier vrij wel aan het uitwendige; intussen
mag men het er ook wel voor houden dat de ambtenaren, die meest
allen hier gevestigd zijn, en allen goede woningen bewonen, zoo
als de burgemeester, die tevens secretaris is, de geneesheer, de
opzigter van 's rijks waterstaat, de predikant, de
hoofd-onderwijzer, enz. daartoe veel bijdragen; daarbij liggen
hier op de reede verschillende schepen die op Holland varen, en
koffen die onder het eiland geligt worden; hoe het zij, men wordt
aangenaam verrast wanneer men van Emmeloord op Ens komt.
Te Ens namen wij onzen intrek bij den bekenden kastelein en
winkelier Jacob Kale, alwaar men nog dat oude deftige, zoowel bij
de personen als den inboedel, aantreft; onze "Joapik"
is dan ook niet verlegen wat hem bij de ontvolking te doen staat.
Eenige oogenblikken te vertoeven bij den waardigen, ruim
70-jarigen burgemeester, den heer G.J. Gillot, was ons eene
behoefte, en werden wij dan ook met opene armen ontvangen.
Dien namiddag had er eene treurige gebeurtenis plaats, waaraan
Ds. Geerling een werkzaam aandeel moest nemen, die dus ook daar
aanwezig was. Dien dag waren er reeds vier lijken, en tijdens ons
verblijf werd nog een vijfdemede uit zee aangebragt, zijnde
Roelof Smit van Meppel, diens vrouw en drie zonen, welke ten
gevolge van het omslaan hunner met talhout geladen praam van
Kampen naar zee waren omgekomen. De onvermoeide burgervader moest
zich met den geneesheer naar het kerkhof begeven, om bij de
regeling der ter aarde bestelling enz. tegenwoordig te zijn. Voor
de derde of vierde maal begaf hij zich langs de loopplank over de
oude in 1854 afgebroken Zuiderbuurt derwaarts; wij volgden hem
over de gladde, pas geteerde planken, en nu was het dubbel
oppassen, want er was nu dubbel kans om het lijkental te
vermeerderen. Het gras of weideland, dat wij hier tot aan den
vuurtoren of tot aan het zuidereind van het eiland ontmoetten, is
veel beter dan dat van Emmeloord naar Ens; het bevat hier het
grootste aantal koeijen en schapen, en het is der moeite waard
hier een kijkje te nemen naar de melksters, die niet alleen zeer
behendig zijn in het melken van schapen, maar daarbij eene
stoutheid aan den dag leggen, die men op het vasteland zeker niet
aantreft; immers zij waden vijf en meer palmen diep door het
water, om het op de hoogte loopende schaap te melken, en schijnen
daaraan zoo gewoon, dat ons verzekerd werd dat zulks dagelijks
zoo geschiedde, ook bij de koudste temperatuur. De koeijen zagen
er zeer treurig uit; de storm van 25 Julij jl. had het gras
bedorven; ook aan de schapen kon men de nadeelige gevolgen
bespeuren.
Wij zagen reeds in de verte dat er in de nabijheid van den
vuurtoren iets ongewoons verrigt werd; het bleek dan ook, dat er
met alle krachten werd gearbeid om de praam van den verdronken R.
Smit, die onderst boven lag, weder op te rigten, hetgeen den
volgenden dag ook gelukt is. De lijken, die op het kerkhof lagen,
werden in kisten gelegd, en aan de aarde toevertrouwd op het
aloude kerkplein, thans bestemd tot begraafplaats voor de
Protestanten. Die ter aarde bestelling maakte op mij en mijne
togtgenooten een diepen indruk immers alles zoo op zijn zeemans.
Wij gingen van dit treurtooneel naar het heerlijke kunstlicht,
dat aldaar, nabij het kerkhof, voor de scheepvaart is aangebragt.
Omstreeks het jaar 1618 hebben ridderschap en steden van
Overijssel met Noord-Holland een overleg gemaakt tot het oprigten
eener vuurbaak op dit gedeelte of den zuidelijken eindhoek van
Schokland; in lateren tijd werd die vuurbaak of vuurtoren met
steenkolen gestookt, doch sedert 1845 is dat vuur vervangen door
een catadioptriek lamplicht, op denzelfden vuurtoren geplaatst.
Die lamp is omgeven door drie prismatisch geslepen glazen, en dan
rondom, als buitenwand, groote langwerpig vierkante dikke glazen,
allen kleurloos. Men gaat met een doelmatigen ijzeren wenteltrap
van buiten om naar den lichttoren heen; het licht wordt ontstoken
door de dochter van den lichtopsteker, welke daarmede dagelijks
gewoon is om te gaan. De woning van den lichtopsteker staat
onmiddellijk bij den lichttoren.
Zoo stonden wij dan aan het uiterste einde van het eiland
Schokland, en wel aan den zuidelijksten hoek; wij hadden thans te
kiezen hoedanig de terugreis te maken, of wel om over hetzelfde
pad, dat zijn de loopplanken, ook genoemd de Kistdammen, of langs
de westelijke oevers over het weideland, en vervolgens over de
sedert aangebragte steenen glooijing. Beide waren zorgelijk, want
de avond was gevallen, de zon reeds te 6 u. 44 m. ondergegaan,
terwijl het nu 7 ure 50 minuten was; gelukkig had onze schipper
eenen middenweg aangeboden, en wel door ons vaartuig aan den
lichttoren te bezorgen, waarin wij allen opgenomen werden;
spoedig bragt ons de zuidwesten wind weder naar Ens, vanwaar wij
koers zetten naar het licht van Kraggenburg, om zoodoende langs
het Zwolsche Diep Genemuiden weder te bereiken, welke terugreis
wij in 4½ uren volbragten, doordien de wind was gaan liggen, bij
eene sterke eb.
Al keuvelende aan boord over hetgeen wij gezien hadden, kwamen
wij daarin overeen, dat Schoklands bevolking, zoowel stoffelijk
als zedelijk, zóó achteruit is gegaan, dat zij zonder van daar
te vertrekken niet te redden is.
Sedert het vorenstaande werd geschreven, is het lot van het
eiland Schokland eene groote schrede der beslissing nader
gekomen. De Tweede Kamer der Staten-Generaal toch heeft bereids
het voorstel der regering tot ontvolking aangenomen. Veel is er
gewroet en gezocht in de oude oirkonden naar den oorsprong van
het eiland, doch tot nog toe bijna geheel te vergeefs. Men heeft
het toch niet verder kunnen brengen dan tot louter gissingen. Men
wil n.l. dat Schokland reeds voor 1170 bestond en onder dien naam
met het eiland Urk verbonden was aan het vasteland, dat is met
Kuinre, Blankenham, Blokzijl en Vollenhove, doch dat het sedert
dien tijd zoowel van Urk als van het vasteland door de
veelvuldige stormen is afgeslagen, en de Zuiderzee zich zoowel
ten zuiden als ten noorden heeft uitgebreid.

Ten einde ook in den Nederlandschen Volks-Almanak eene
herinnering aan Schokland te bewaren, werd bij het verslag van
ons bezoek het kostuumplaatjen gevoegd, dat, bij het meer en meer
verdwijnen der nationale kleederdragt, ook uit dat oogpunt reeds
niet onwelkom zal zijn. Het werd gevolgd naar de zeer getrouwe
afbeelding op groote schaal, voorkomende in het voortreffelijke
werk: Nederlandsche kleederdragten, naar den natuur geteekend
door Valentijn Bing en Braet von Ueberfeldt, te Amsterdam bij F.
Buffa en Zonen uitgegeven, die tot deze navolging met de meeste
heuschheid hunne toestemming gaven.
Tot toelichting der plaat diene nog het volgende, aan genoemd
werk ontleend:
Het staande meisje is in haar zondagsgewaad. Haar hoofdtooisel
bestaat uit eene zwarte ondermuts met het smalle zilveren
hoofdijzer met gouden knopjes aan de einden, en hierover wordt
eene eng sluitende bovenmuts met breede, fijn geplooide kant
gedragen, waarvan de hoeken met gouden spelden aan de knopjes
zijn vastgestoken. Over den damasten of katoenen borstrok draagt
men den kroplap, waarboven aan den hals het omboordseltje of
kantje van het hemd uitkomt, voorts een zwart greinen sluitend
jak, met halfwijde mouwen tot over den elleboog reikende; dit is
van boven vierkant uitgesneden en met breed gekleurd lint
omboord, onder de borst toegehaakt, en boven met een blaauw lint
vastgestrikt. De rok en het voorschoot zijn van zwart wollen
stof, digtgeplooid; het laatste met een sterk gekleurd stuk
voorzien; en eindelijk is een rood geruit katoenen doekje los om
den hals geknoopt.
De manskleeding bestaat in een blaauw wollen borstrok met beenen
knoopen, wijde bombazijnen broek tot halfweg het onderbeen
reikende; wollen kousen, hooge schoenen en een roode halsdoek los
omgeknoopt, met afhangende punt op den rug. Veelal dient een
bonte krol tot hoofddeksel, welke des Zondags door een hoogen,
ronden, breedgeranden hoed vervangen wordt.
J. Zeehuisen (Nederlandse Volksalmanak van 1859)