Uit het Schokker Erf nr. 33 (september 1996):
Dood en dord hadt hij kunnen zijn
Op zondag 25 oktober 1801 hingen verscheidene
jonge Schokkers rond bij de haven van Emmeloord. Zij zagen een
bejaarde man, Albert Bruinsen Konter <1>, een oom van
meerdere van de knapen, in zijn schuit gaan, terwijl hij zijn
klompen op de werf voor de palen gezet had, om zijn schuit niet
te bemodderen. De baldadige jongens, kennelijk de gezapige
zondagsrust een beetje moe, hadden wel zin in een geintje. Die
klompen stonden er ook zo mooi voor klaar... Ze namen wat grote
stenen en probeerden om beurten de klompen van oom Albert in
stukken te gooien. Albert Bruinsen Konter pikte dit natuurlijk
niet, en kwam uit zijn schuit. De jongens hadden daarbij
uiteraard de grootste lol en gingen gewoon door met het gooien
van stenen. Helaas trof een van de keien niet de klompen van
Albert, maar Albert zelf.
"Dood en dord hadt hij kunnen zijn", schreef
pastoor Doorenweerd over dit voorval in zijn dagboek. Albert
kreeg de steen op zijn ongeschoeide linkervoet, waarbij twee
tenen geraakt werden en een ader sprong. Toen de pastoor over dit
voorval schreef, zag het er naar uit dat de man een teen zou
verliezen.
Dit voorval veroorzaakte grote opschudding en tweespalt op
Emmeloord. Vervloekingen en verwensingen werden geuit tegen de
onvoorzichtige gooiers, terwijl de vijanden van de ongelukkige
man stonden te juichen.
Albert Bruinsen Konter raakte, spijtig genoeg, door zijn
verwondingen zijn broodwinning kwijt. Vissen kon hij niet meer
vanwege de vreselijke pijn aan zijn voet, en bovendien kon hij
niemand vinden die zolang op zijn schuit kon varen.
Albert was een oom van de baldadige knaap die de steen op zijn
voet gooide. Nu was de schuldige tevens de knecht van de
schoonzoon van Albert. Deze schoonzoon probeerde zijn schoonvader
te helpen en zocht een nieuwe knecht voor zichzelf, zodat zijn
oude, stenengooiende knecht in plaats van zijn schoonvader met
diens schuit kon gaan vissen. Op zich was dit een goed voorstel:
de schuit van Albert hoefde dan niet meer nutteloos in de haven
te liggen, Albert kreeg weer brood op de plank en het baldadige
neefje zou zijn spijt over het gebeurde kunnen laten blijken door
zijn hulp aan te bieden.
Albert zag ook wel wat in het voorstel van zijn schoonzoon, maar
het kwaaie neefje voelde er totaal niets voor. Hierdoor werden
zijn beide ooms zo kwaad op hem dat zij hem een pak slaag gaven.
Enkele van zijn neven, die vermoedelijk ook betrokken waren bij
het stenengooien, hoorden hem schreeuwen, en bang als ze waren
dat hij hen zou verklikken, bedreigden ze de twee ooms. En
hieruit ontstond weer een grote ruzie tussen de deugnieten en hun
moeder aan de ene kant, en de ooms van de jongens aan de andere
kant.
De moeder van die deugnieten was Derkje <2>, een schoonzus
van Albert. Albert woonde, samen met Derkje, in het nog
onverdeelde huis van zijn ouders, dat hen samen toekwam en dat
zij gezamenlijk gebruikten. Kort na de vechtpartij zag Derkje in
het huis van Albert een van de vrouwen van de ooms die geslagen
hadden, greep haar bij de arm en wilde haar de deur uit jagen. "Gaat
uit mijn huis", riep zij woedend. De oudste zoon van
Albert <3> vloog op Derkje toe, greep op zijn beurt ook
haar bij de arm, zeggende: "Wat, woudt gij de zuster van
mijne moeder uit het huis jaagen, hetgeen ons zoveel als u
toekomt?"
Opnieuw liepen de spanningen binnen de familie hoog op, en
terstond werd het besluit genomen, dat al veel eerder genomen had
moeten worden: het verdelen van huis en grond onder de
erfgenamen. Na lang overleg werd men het uiteindelijk eens hoe de
verdeling diende te geschieden, en het lot besliste welk deel
eenieder te beurt viel.
Pastoor Doorenweerd, die blij was met deze verdeling, die al veel
te lang was uitgesteld, besloot zijn relaas over deze
familieruzie als volgt: "Dit was nu nog weer een goed,
hetgeen uit dit kwaad gebooren werdt. Zedert lang was dit
onverdeelde huis en onverdeelde grond een twistappel geweest, en
oorsprong van veel haat en nijd. Tot de verdeeling hadt men niet
kunnen komen. Die twistappel nu weggenomen, hoop ik onder hen
vreede en vriendschap."
Noten:
Ab & Bruno Klappe, Eindhoven.
