Uit het Schokker Erf 33 (september 1996):
Twee geloven op een kussen....
Grietje Jacobs Goosen <1> uit Ens was al ruim dertig
jaar oud en de jongens hadden nooit veel achter haar aan gelopen.
Toch zou ook zij erg graag willen trouwen en kinderen krijgen,
zoals vrijwel iedereen dat wil. Zij was dan ook dolgelukkig toen
ze kennis kreeg aan een zekere Jan Arijs van der Graaf <2>
uit Giessendam in Zuid-Holland, die op Schokland aan de nieuwe
dijk werkte. Er gloorde weer hoop aan de horizon, ware het niet
dat Grietje katholiek was en Jan niet.
Pastoor Bartholomeus Doorenweerd schreef in zijn dagboek dat hij,
zodra hij lucht van de verhouding kreeg, Grietje vermaande, zelfs
eens met het Allerheiligste bij zich. Veel nut had het niet: "Zij
liet zich beslapen, en trouwde met dien vent", waarna
ze samen op de Molenbuurt een huisje betrokken.
Jan probeerde zich van zijn beste kant te laten zien en ging zo
nu en dan met zijn Grietje naar de katholieke kerk. Toen enkele
Schokker meisjes hun Eerste H. Communie deden in de kerk op
Emmeloord, waren ook Grietje en Jan aanwezig. Tijdens de preek
kwam het spreekwoord: twee geloven op één kussen, daar
slaapt de duivel tussen, ter sprake. Jan, die meende dat hij
persoonlijk werd aangevallen, trok zich die opmerkingen zo aan,
dat hij niets meer met de pastoor te maken wilde hebben.
Op 9-5-1806 werd Johanna, hun eerste kind, geboren, en de
verbittering bij Jan was nog zo groot dat hij twee dagen later
uit protest zijn dochter ten doop hield bij de dominee op Ens.
Pastoor Doorenweerd, die er vreselijk mee in zijn maag zat dat
het kind niet katholiek gedoopt werd, vroeg raad aan zijn
meerdere, de aartspriester. Kort hierna werd Grietje, "die
een buitengewoonlijk berouw over haren misstap betoonde",
door de pastoor weer in genade aangenomen.
Zij raakte al gauw weer in verwachting, maar het ging met haar
gezondheid na 18-2-1807, toen 8 vissers van Schokland jammerlijk
verdronken, steeds verder achteruit. In de passieweek werd de
pastoor bij haar geroepen, die haar toestand zo ernstig vond, dat
hij haar bediende. Twee of drie dagen daarna, op 12-3-1807 werd
ze verlost van twee welgeschapen kinderen, Jacobus en Joanna. De
pastoor noteerde in zijn dagboek: "Ik heb onder de
nageboorte, op aanrading der vroedvrouw bezigtigd, een lang hol
vel gevonden, naar een aals-vel gelijkende, hetwelk de vroedvrouw
toeschreef aan eene bijzondere lust en trek, die de moeder te
voren onbevredigd had moeten laten, omdat zij geen aal had kunnen
bekomen".
Kort nadat hij thuis was gekomen werd hij opnieuw bij de
kraamvrouw geroepen, die erg zwak was. De boodschapper wist te
melden dat een van de kinderen overleden was, maar dat het andere
nog leefde. De vader wilde nu wel dat het kind door de pastoor
gedoopt zou worden. De pastoor nam snel een klein flesje
doopwater en andere benodigdheden en begaf zich opnieuw op weg
naar de Molenbuurt van Ens.
Bij de kraamvrouw aangekomen vroeg hij naar de kinderen, en hij
kreeg te horen dat men een van de kinderen als dood weggelegd
had, maar dat het andere nog leefde. De pastoor eiste daarop het
dode kind te zien. Het scheen inderdaad overleden te zijn, maar
overwegende dat er nog wel wat leven in kon zijn, besloot de
pastoor het alsnog te dopen.
"En zie, wat vreugde! Zoodra ik met mijn flesje het
koude doopwater op het voorhoofd goot, zoo dat het langs de neus
afvloeide, gaf het kind de blijkbaarste teekenen van leven, door
de vertrekking des monds en der neuze, hetwelk ik en de
grootmoeder duidelijk zagen."
Daarna doopte hij in tegenwoordigheid van alle buurvrouwen, die
vrijwel allen gereformeerd waren, het andere kind, met alle
vereiste plechtigheden. Het doodgewaande kind stierf even later,
het andere kind nog dezelfde avond. De moeder overleefde haar
kinderen maar een zeer korte tijd. Zij stierf op Ens op maandag
23-3-1807, in de Goede Week, "alle blijken van een ware
bekering gevende, en vooral van een groot berouw over haar
huwelijk, hetgeen zij te kennen gaf, daar zij haren man, die haar
nog begeerde te kusschen, als met stervenden monde zeide: Gij
zijt nu de liefste niet meer; Ons Lieve Heer is de liefste."
Pastoor Doorenweerd beeindigde zijn verslag van dit drama met de
woorden:
"Mogten allen hare boetvaardigheid navolgen, die hare
kwade voorbeeld naagevolgd zijn. En God gave, dat ook nog in
dezen spiegel die meisjes zich spiegelden, die een jongen liever
als God hebben. Wat korte vreugde is dat voor onze Grietje
geweest. Gelukkig hij, die door het voorbeeld van eenen anderen
wijs wordt."
Noten:
Ab & Bruno Klappe, Eindhoven.

Het kerkje op de Middelbuurt van Schokland.