Uit het Schokker Erf 26 (mei 1994):
"Een zeer onverdraaglijk mensch"
Op 30-3-1853 had burgemeester Gerrit Jan Gillot er genoeg van
en pakte hij zijn pen om bij de Gedeputeerde Staten van
Overijssel zijn beklag te doen over Grietje Jonker <1>, de
vroedvrouw van Emmeloord. Enige tijd geleden had zij al eens
zonder toestemming gedurende enkele dagen het eiland verlaten. Op
de ochtend van haar vertrek, juist voor de afvaart, stuurde zij
nog gauw even de veerman naar de burgemeester met de boodschap
dat zij voor twee tot drie dagen naar Zwolle ging.
Hoewel een vroedvrouw op een eiland als Schokland onmisbaar was,
zag de burgemeester dit voorval omwille van de lieve vrede toch
maar door de vingers. Al snel had hij daar spijt van, want
Grietje Jonker kreeg de smaak van het reizen nu pas goed te
pakken en vertrok op een van de laatste dagen van maart met haar
dochter naar Vollenhove. Uiteraard weer zonder voorafgaande
permissie, wat in strijd was met artikel 10 van haar instrukties.
Ditmaal was de maat voor burgemeester Gillot vol, temeer omdat
een zeer arme, hoogzwangere vrouw haar hulp ieder moment nodig
kon hebben, en daarom lichtte hij dus Gedeputeerde Staten in over
de handelswijze van de vroedvrouw.
Wat er hierna is gebeurd is niet helemaal duidelijk, maar zeker
is wel dat beide partijen elkaar flink in de haren hebben
gezeten, waarbij Grietje Jonker geholpen werd door Maria Willems
Bape <2>. Op 19-4-1853 stuurde Gillot namelijk twee
processen-verbaal naar het Kantongerecht te Kampen. Het ene
verbaal betrof de vroedvrouw Grietje Jonker, "een zeer
onverdraaglijk mensch in de maatschappij", zoals de
burgemeester liet weten. "Het zal mij ten hoogste
aangenaam zijn als u haar niet van haar verdiende straf schenkt,
zij kan alles wel betaalen, zij is de grootste belhameres van
allen, en schelt iedereen uijt voor al wat haar maar voorkomt, en
zij geeft om niets wat om."
Het andere verbaal was gericht tegen Maria Willems Bape, die "den
grootste aanlegger van het voorgevallene de oorzaak is".
"Het zal mij aangenaam zijn, wanneer u haar als schuldig
bevinde, haar niet van haar verdiende straf schenkt, want dat is
een vrouw die ook om niemand wat geeft, en alles doet wat zij
goed vindt".
Het Kantongerecht te Kampen stuurde de volgende dag de verbalen
door naar de Officier van Justitie te Zwolle, omdat de vervolging
der daarin omschreven feiten ("mishandeling en
resistentie tegen de policiebediende uwer gemeente")
niet tot de competentie van het Kantongerecht behoorde. Inmiddels
was ook de Provinciale Geneeskundige Commissie op de hoogte van
de problemen met de Schokker vroedvrouw, "die zich bij
herhaling eigendunkelijk tijdelijk van het eiland heeft
verwijderd". Op 22-4-1853 schreef de commissie hierover
aan Gedeputeerde Staten, die zes dagen later het probleem weer
terugschoven naar Gillot. De burgemeester van Schokland werd
uitgenodigd haar "ernstig te waarschuwen in haar eigen
belang zich te wachten voor de herhaling van de beklaagde
eigendunkelijke handelingswijze". Waarmee Gillot weer
terug bij af was.

Enkele maanden bleef het rustig op Emmeloord, maar op
26-7-1853 was er weer onenigheid tussen de vroedvrouw en de
Schokker overheid. Om elf uur 's morgens die dag zag burgemeester
Gillot tijdens een bezoek op Emmeloord dat iemand het huisje,
waarin de brandspuit was opgeborgen, en dat eigendom van de
gemeente was, had opengebroken om daarin enige goederen in op te
bergen. In het vorige jaar hadden Gillot en de veldwachter de
deuren van dat huisje hermetisch afgesloten met behulp van twee
planken en een aantal grote spijkers, zodat niemand het huisje in
kon om zo de losse stukken die tot de brandspuit behoorden, weg
te nemen.
De verdenking viel al gauw op de vroedvrouw Grietje Jonker omdat
zij in het verleden tweemaal aan de burgemeester had gevraagd of
zij enkele goederen in het brandspuithuisje mocht opbergen, wat
haar geweigerd was. Terwijl Gillot bij het huisje bleef wachten,
werd de veldwachter er op uit gestuurd om haar te halen. Toen zij
bij het huisje verschenen was, werd haar gevraagd of zij die
planken van de deuren had laten afbreken, wat zij bevestigde. De
burgemeester verzocht haar daarop de voorwerpen die zij in het
huisje had opgeslagen er uit te halen, wat zij weigerde onder het
uiten van allerlei beledigende woorden. De veldwachter heeft toen
de goederen van de vroedvrouw buiten gezet, en de deuren weer
dicht gespijkerd.
Hierna zette de burgemeester zich aan het schrijven van een
proces-verbaal van het voorval. De volgende dag werd Grietje
Jonker bij Gillot verzocht om het verbaal te horen en te
ondertekenen, maar zij weigerde te verschijnen.
Intussen was Grietje Jonker waarschijnlijk tot de konklusie
gekomen, dat ze maar beter naar een andere baan kon uitzien. Zo
kwam het dat zij op 4-9-1853 haar ontslag bij Gillot indiende:
"Ik heb de eer Uw Edele te infermeren dat ik beroepen
ben als vroetvrouw te Oldebroek, waar van ik door deze de eer heb
Uw Edele Achbare ter kennisse te brengen dat ik in het belang van
mijn huisgezin genoemde plaats heb aangenomen. Waarvan ik Uw
Edele Achbare bij deze verzoek mij bij het einde van deze maand
september van Schokland gelieve te ontslaan in de betrekking als
vroetvrouw of zulks gelieve te bevorderen."
Gillot was klaarblijkelijk nogal opgelucht dat hij van dat "onverdraaglijk
mensch" verlost was en meldde nog dezelfde dag haar
ontslag aan Gedeputeerde Staten, die daarop een beetje verbaasd
reageerden omdat het benoemen en ontslaan van een vroedvrouw niet
de zaak van Gedeputeerde Zaken was, maar van het gemeentebestuur.
In oktober van hetzelfde jaar werd Deliana Maria Hofstede, die
eerder werkzaam was in Purmerend, aangenomen als nieuwe
vroedvrouw.
Noten:
Gebruikte archiefstukken:
Bruno Klappe, Eindhoven.