Uit het Schokker Erf 23 (mei 1993):

Een scheepsramp bij Schokland in 1858


In de Kamper Courant van donderdag 2 september 1858 wordt verslag gedaan van een verschrikkelijk scheepsongeluk tussen Elburg en de Kamperketel (het Keteldiep bij Kampen).

KAMPEN, den 1 September.
In den morgen van Donderdag den 26 dezer heeft op de Zuiderzee tusschen Elburg en den Kamperketel een verschrikkelijk ongeluk plaats gegrepen. Tengevolge toch van den op dat oogenblik hevigen storm is het praamschip "Hoop op Zegen", gevoerd wordende door schipper Roelof Smit, en den vorigen dag beladen met brandhout van Deventer vertrokken om te varen naar Amsterdam, omgeslagen, met dat noodlottig gevolg, dat de schipper met diens vrouw en vier kinderen, waarvan de oudste, een oppassende jongeling van 21 jaren, als knecht op het vaartuig dienst deed, eene prooi der golven zijn geworden; hunne lijken zijn nog niet aangespoeld; het vaartuig is onder Schokland opgebragt, terwijl tengevolge van de ijverige nasporingen van onzen commissaris van politie, bij verschillende ingezetenen dezer Stad, te Brunnepe en bij de landlieden buitendijks woonachtig, eene betrekkelijk groote hoeveelheid opgevischt brandhout is ontdekt en in bewaring genomen.

In de Kamper Courant van zondag 15 september 1858 wordt gemeld dat op woensdag 1 september het lijk van een van de kinderen van de schipper Roelof Smit aan de wal is gebracht.

KAMPEN, den 4 September.
Jongstl. Woensdag den eersten dezer is alhier ter stede door visscherlieden aangebragt het lijk van een zestienjarig meisje, door hen boven Schokland opgevischt, zijnde een der kinderen van den schipper Roelof Smit, wiens vaartuig op den 26 Augustus jongstleden op de Zuiderzee is omgeslagen. (Zie het berigt deswege in ons vorig nummer.) De overige lijken van het verongelukte schip zijn allen teruggevonden, en op Schokland aangebragt en begraven.

Uit de in Kampen opgemaakte overlijdensakte nr. 360 blijkt dat het lijk van Elsje Smit in zee drijvende werd gevonden. Zij was 16 jaar oud en geboren in Apeldoorn. Met haar verdronken haar 49-jarige vader Roelof Smit, haar eveneens 49-jarige moeder Elsien Kalverla en haar drie broers: de 21-jarige Egbert Stoffel, de 11-jarige Egbert en de 8-jarige Gerrit. Het gezin was afkomstig uit Meppel. Een oudere dochter, Harmtje, was op die rampzalige dag niet aan boord.
In Het Schokker Erf nr. 16 hebben wij op blz. 34 en 35 reeds een en ander over deze scheepsramp gemeld. Inmiddels zijn nog enige bijzonderheden daaromtrent bekend geworden. De heer Huisman uit Amsterdam, de steller van vraag 40 in bovengenoemd Schokker Erf, wist nog het volgende te melden.
"Volgens het verhaal zoals dat in onze familie bewaard is gebleven, lagen enkele andere schippers in de Ketelmond op beter weer te wachten. Het stormde hevig en uitvaren was gevaarlijk. Toen de praam van Roelof Smit bij het Keteldiep aankwam zouden ze hem nog gewaarschuwd hebben voor het risico om bij zulk weer de oversteek naar Amsterdam toch te wagen. Zij riepen hem toe: "Ga er niet uit, jong, 't weer is veel te slecht, zoek hier een plaatsje". Maar hij wees de goede raad met enige kernachtige overmoedige uitspraken van de hand. Hij zette de tocht naar Amsterdam toch voort, met het rampzalige gevolg dat het hele gezin verdronk".
Vrijwel alle Schokkers kenden uit eigen ervaring de gevaren van de zee. Dit drama maakte dan ook grote indruk op hen. Bij de Schokker familie Karel wordt nog altijd het verhaal over deze ramp doorverteld, zoals eens hun (over-)grootvader Jannes Karel (geboren 23-6-1838 op Schokland, overleden 17-1-1911 in Kampen) die beleefde.
In 1960 publiceerde J. Karel uit Eindhoven het onderstaande verhaal.

Dodenwacht.
Er was bij Schokland een vaartuig vergaan waarbij alle opvarenden waren omgekomen. Deze bestonden uit de schipper, zijn vrouw, hun beide kinderen en de knecht. Schokkers visten de drenkelingen op en brachten de lijken op het kerkhof, waar ze met een groot zeildoek werden toegedekt in afwachting van eventueel familiebezoek. De meeste Schokkers gingen op dodenbezoek, daar ze allen ten zeerste waren begaan met het droeve lot van de slachtoffers.
Jauk de Bakker, een grote kerel, sprak mijn grootvader, toen een jongen van ongeveer achttien jaar, aan en vroeg: "Jannes, gij-je is mee kijken nae de drenkelingen". Alleen dorst Jauk niet, want hij was zo bang als hij groot was. Zij gingen samen op stap, en toen zij op het kerkhof aangeland waren zei Jauk: "Jannes, jie moet het zeil maar optillen, want dat durf ik neit goed". Met grootvader voorop naderden zij de doden en mijn grootvader tilde het dekzeil op. Doch meteen kreeg hij een klap van de dode schipper tegen zijn been. Hij schrok natuurlijk geweldig. Hij maakte een zijsprong, maar herstelde zich onmiddellijk. Van Jauk was in geen velden of wegen iets meer te bespeuren. De schrik had hem danig te pakken. De oorzaak van het geval was, dat de arm van de dode schipper bekneld was geraakt tussen de vouwen van het zeil, en toen het zeil werd opgetild viel de arm terug.

Tenslotte vonden wij in de Nederlandse Volksalmanak van 1859 nog een verslag van "Een bezoek op het eiland Schokland op 2 September 1858", door J. Zeehuisen. Daarin staat beschreven hoe bij de vuurtoren met vereende krachten werd geprobeerd de praam van de verdronken schipper R. Smit, die onderste boven lag, weer op te richten, en hoe de lijken werden gekist en op het oude kerkplein begraven. Op blz. 2-8 van dit nummer vindt u dat verslag afgedrukt.

Ab Klappe, Eindhoven.