Uit het Schokker Erf 31 (januari 1996):
Van een verlaten eiland (Schokland)
Overgenomen uit "Buiten" van 9-10-1926.
De dominé van Schokland
Zou in Kampen preken,
Maar door het razen van de zee
Had hij zijn preek vergeten.
Zoo luidt het kinderdeuntje, dat wij vroeger meermalen uit teederen moedermond hooren mochten. Dat was de tijd toen te Kampen wonende Schokkers op donkere winteravonden hunne Sint Maartenliedjes langs de huizen der Kampenaren zongen, begeleid door het monotone geluid van de door hen geliefde foekepot. Dan zong men:
Kew <1> al zoo lang met de rommelpot eloopen,
Kew gien geld om brood te koopen,
Rommelpotterij, Rommelpotterij,
Gief m'n oortjen dan geam <2> ik voorbij.
Dat waren de dagen, dat de moeders hun kinderen nog vertelden,
hoe de Schokkers hadden voorspeld, dat geheel Kampen in vlammen
zou opgaan, zooals zij het des nachts, op zee visschende, al
zouden hebben gezien, toen deze stad in 1848 hare gasverlichting
gekregen had. Geen wonder dan ook, dat voor ons, kinderen, dat
eiland daar in zee gehuld was in een atmosfeer van sombere
geheimzinnigheid, waardoor het voor ons geen duidelijk beeld
worden kon, maar integendeel, er voor Schokland een ietwat
vreesachtige belangstelling werd gewekt. En wanneer dan die
verhalen in het schemeruurtje, "zoo van zes tot
zeven", door moeder werden verteld, dan kregen wij "allerprettigst
kippevel", om met Heine te spreken.
Dat alles is echter geschiedenis geworden. En nu het groote en
grootsche werk der afdamming en droogmaking van de Zuiderzee
dermate vorderingen maakt, dat men de voltooiing daarvan als
perspectief vermag te zien, herdenken wij die "volkstümliche"
deuntjes en verhalen, welke toen nog levendig hielden de
herinnering aan de nu bijna niet meer denkbare omstandigheid, dat
Schokland had zijn eigen predikant, pastoor, onderwijzer en
dokter, dat dit kleine eiland een eigen gemeenschap was. En mede
gaat onze belangstelling uit naar Oud-Hollandsche folklore en het
lands-eigene, naar datgeene wat die oude Zuiderzee-bevolking in
haare kleeding en huisraad, in haare woningen en scheepsbouw ons
nog heeft nagelaten van haar oude beschaving, die straks in der
tijden loop zal zijn ondergegaan.
De geschiedenis van Schokland verliest zich in het duister der
Middeleeuwen, daarna zien wij haar wat duidelijker. Schokland,
dat niet eerder dan in het laatst der 18de eeuw zoo werd genoemd,
(vóór die tijd sprak men van de eilanden Ens en Emmeloord) komt
reeds ± 1200 voor als Emelwerth. Het stond toen reeds in nauwe
betrekking met de toen zo bloeiende aloude Koningsstad Stavoren.
Onder een opgave van Kapellen, behoorende tot het Benedictijner
Klooster van Sint Odulphus te Stavoren (1132-1580), wel bekend
uit Van Lennep's "Roos van Dekama", komen
onder meer ook voor Urch (Urk) en Emelwerth (Emmeloord). Dit
laatste is het Noordelijke gedeelte van het eiland, waarvan het
Zuidelijke deel Ens wordt genoemd.
Beide helften waren, en zijn nog, door een sloot van elkander
gescheiden. Is die oude sloot soms een der vele rivierarmen van
de vroegere IJsseldelta? Wij weten het niet. Maar vroeg reeds
waren deze "buurten" zelfstandig, Want in 1329
was Ens zoowel als Emmeloord een eigen parochie. Ook had iedere
parochie zijn eigen burgerlijk bestuur.

Op Ens vond men de Midden- of Molenbuurt, de Zuiderbuurt
(Zuidert genaamd) en de in ± 1830 afgebroken Gothieke kerk met
Romaanschen toren op de Zuidelijke punt van het eiland. En
wanneer ook hier "de kerk in het midden" heeft
gestaan, wat vrijwel als zeker wordt aangenomen, dan volgt
daaruit wel, dat van Ens, ten Zuiden van het hedendaagsche
Schokland, dus vóór den Ketelmond, veel land door de zee
verzwolgen is, zooals dat met zekerheid, aan de hand van oude
kaarten, kan worden gezegd van het Noordelijke Emmeloord, dat dus
thans in zee ligt als verdronken land.
Als gezegd, niet eerder dan in de 18de eeuw komt de naam
Schokland voor en heetten "de eilanden" (het
waren er dus twee) Ens en Emmeloord. Jan van Kuinre krijgt in
1331 van den Hollandschen graaf "dat Gherechte van
Emlairden half".
In 1364 worden de Kuinre's opgevolgd door Heeren van Voorst,
echter gaf graaf Albrecht, de bestrijder der Friezen, in 1381 het
Kerspel Orckel en Emelwolde aan Dirk van Swieten, kapitein binnen
Stavoren, in leen. Dit moet zeker kort geduurd hebben, want wij
lezen dat in 1412 de Vrouwe van Voorst afstand doet van hare
rechten op beide eilanden, ten behoeve van Herman van Kuinre, die
in 1415 aan de "bueren van Orch en Emelweerde"
rechten gaf.
Na den dood van Herman van Kuinre wordt hij door zijn dochter
Alijt opgevolgd als bezitster der eilanden. Alijt huwde met Evert
Vreijse van Stroewijck, die dan optreedt als heer van Urk en
Emmeloord. Als hij overlijdt doet zijn weduwe, Alijt, in 1475
haar leengoederen over aan Evert Zoudenbalch te Utrecht,
thesaurier ten Dom en proost van Maastricht <3>. Sedertdien
waren de Zoudenbalch's meer dan een eeuw heer der eilanden.
Evert wordt door zijn broers zoon, ook Evert geheeten, in 1495
opgevolgd. In 1555 was Jan Zoudenbalch eilandheer; hij werd
opgevolgd door Gerrit Zoudenbalch, die bij testament aan zijn
neef Johan van Fladeracken voorwaardelijk vermaakt het bezit der
eilanden.
Gerrit Zoudenbalch huwt in 1568 met Barbara van Essenstein. Zij
is als weduwe in 1601 vrouwe van Urk en Emeloord. Na haar
overlijden (1614) komt dit bezit in handen van Jonker van der
Werve, te Heenvliet wonende, die in 1660 zijn
ambachtsheerlijkheid overdoet aan de stad Amsterdam, welke als
koopstad belang had bij de vaart op de Zuiderzee en dus het gezag
over Urk en Emmeloord wenschte uit te oefenen.
Wij merken op dat Ens bij al die veranderingen in het Bestuur
niet wordt genoemd. Dit bleef afzonderlijk onder Overijsselsch
gezag; het komt reeds in 1407 voor op een Overijsselsche
Schattinglijst. In 1613 gaven Ridderschap en Steden van dit
gewest Ens 800 gulden voor herstelling aan het kerkgebouw aldaar.
Dit was dus het hiervoren genoemde middeleeuwsche kerkgebouw.
Ens en Emmeloord waren aanvankelijk, als wij weten, twee
eilanden, en voor zoover bekend, gescheiden door een sloot. Maar
het zelfstandige van beide "buurten" (vroeger
eilanden) spreekt ook wel sterk uit het feit, dat de dialecten
van beide verschillen: dat van Ens heeft n.l. meer van 't
Overijsselsch, dat van Emmeloord echter is meer Hollandsch; ook
de kleding der bewoners van beide buurten was ietwat verschillend
en na de Hervorming was Ens zoo goed als geheel Hervormd, terwijl
de Emmeloorders altijd Roomsch Katholiek zijn gebleven.
Welnu, de "Burgemeesteren" van Amsterdam
bleven ambachtsheeren van het Noordelijke gedeelte (Emmeloord),
terwijl de Zuidelijke helft (Ens) tot Overijssel bleef behooren.
Zoo bleef de toestand, tot dat in den Franschen tijd geheel
Schokland (dus Ens én Emmeloord) onder Overijsselsch bestuur
werd gebracht als afzonderlijke gemeente Schokland, die in 1859
werd opgeheven en bij Kampen werd gevoegd, nadat Schokland in
1858 door de Rijksregeering "onbewoonbaar was
verklaard".
De bevolking moest Schokland in 1859 verlaten, en de
Emmeloorders, zeker beïnvloed door de omstandigheid, dat zij te
Kampen een R.C. gemeente vonden, verhuisden met hun
hoofdonderwijzer, A. Legebeke, naar de IJsselstad, terwijl zeer
weinigen van het protestantsche Ens zich metterwoon te Kampen
gingen vestigen. Thans wonen er op het eiland nog drie beambten
van 's Rijkswaterstaat (twee op Emmeloord en een op Ens) met
hunne gezinnen.
Tot zover de merkwaardige geschiedenis van Schokland.

"De nationale kleederdrachten behooren tot de
monumenten, die ons het voorgeslacht liet, als een uiting van
zijn persoonlijkheidsgevoel, zijn persoonlijkheidswezen, zijn
eigen beschaving en idealen". Aldus Theo Molkenboer in
zijn belangwekkend boekje <4>. En daarin treft, dat deze
juiste opmerker, die met zooveel liefde en zaakkennis dit
onderwerp behandelde, bij zijn bezoek aan Kampen wèl heeft
bestudeerd de karakteristieke kleeding van een gedeelte der
stedelijke bevolking en die van de aangrenzende landbewoners,
maar de Schokkers, wonende in de Brunneper Schokkersbuurt te
Kampen, klaarblijkelijk heeft vergeten. Hij zou, zoo hij ook daar
had rondgekeken, wellicht nog merkwaardigheden hebben ontdekt,
die nu verdwenen zijn. En dit is te betreuren, omdat, terwijl de
Schokkers die zich in 1859 te Vollenhove, Urk, Volendam en elders
hadden gevestigd, al spoedig de kleeding der daar wonende
visschersbevolking hadden aangenomen, daar dus spoedig als
Schokkers zijn ondergegaan, zij, te Kampen, waar vóór hunne
nederzetting niet een eigenlijke visschersbevolking van markant
karakter aanwezig was, daarentegen als Schokkers in hun kleeding
en taal, in hunne woningen en schepen nog lang zichzelf zijn
gebleven. Te Kampen leefde de oud-Schokkersche traditie lang
voort, dank ook het feit, dat hun hoofdonderwijzer, A. Legebeke,
de huizen van Emmeloord liet afbreken en die te Kampen weer voor
hen in de toen aangelegde Schokkersbuurt herbouwen liet. Men
sprak dan ook wel eens van "Schokland in Kampen".
Er bestaat nog een oude houtsnede, die ons een voorstelling geeft
van de oud-Schokkersche kleederdracht van man en vrouw, zoals die
na 1840 ongeveer, niet meer gedragen werd. De afbeelding op de
volgende bladzijde doet zien hoe men zich, van dien tijd af tot
heden, op Schokland (en dan wordt hier Emmeloord bedoeld) en te
Kampen in de Schokkersbuurt te kleeden placht (afbeelding
ontbreekt. Red.). Nog twee vrouwen te Kampen dragen die kleeding;
zij is dus nu al zoo goed als historie geworden. Ongeveer in de
dertiger jaren der vorige eeuw heeft de verandering in kleeding
bij deze bevolking plaats gehad, en wat daarvan de oorzaak
geweest moge zijn, is ons onbekend.
De Schokker van het begin der vorige eeuw droeg een kortere en
wijdere broek dan die welke nog door zijn naneef van thans
gedragen wordt. Ook was vroeger de jas langer en droeg de oude
Schokker een karpoes (muts), die de Urker nog draagt. De
Schokkerin van voorheen had tot hoofdtooisel een ietwat hooge
muts en droeg het haar lang, tot op de schouders hangende. Het
vrouwencostuum, dat veel met dat der vrouwen van Urk overeenkomt,
is bizonder karakteristiek. De vrouw
van Schokland draagt, evenals de Urkerin, een met kant omzoomd
mutsje, en terwijl laatstgenoemde het achtergedeelte daarvan
gewoonlijk van zwarte stof heeft, is dit bij de Schokkerin
daarentegen veelal van witte stof. Beide dragen het zeer smalle
zilveren "oorijzer", waarvan ieder eind bij de wang in
een knoopje eindigt.
In vroeger dagen, vóór 1840, droeg de vrouw van Schokland een "vest"
van damast (middel genoemd), aan de voorzijde met een geel
koord toegeregen. De rood baaien borstrok met rood laken mouwen
had op den naad een geborduurde streep van gele zijde; hierover
werd het vest gedragen. Het hoofdtooisel was een blauwe muts met
geel gestreepten platten bodem. Ook werd door de Schokkerin wel
een witte vrouwenmuts gedragen, welke gelijkenis had met die van
de Volendamsche. Behalve genoemd oorijzer werden gewoonlijk ook
door de Schokkerinnen gedragen roode of zwarte koralen, aan de
achterzijde gesloten met een zilveren slot (bootje).
Over den borstrok draagt de Schokkerin thans, in plaats van het "vest",
een borstlap of kroplap, welke gewoonlijk van katoenen stof is
vervaardigd. Dit kleedingstuk is voor de Zondagsche kleedij van
gebloemd meubelsits. Gewoonlijk is de onderrok van rood of blauw
gestreepte baai en is dan in 't laatste geval aan de bovenzijde
effen blauw, terwijl de kousen veelal ook van blauw sajet of dito
wol zijn gebreid.
Ook de doopkleertjes (jurken en mutsjes) zijn fraai en meermalen
met gouddraad doorweven en van blauw of rood damast. Dit "doopgoed"
heeft, evenals de Schokkersche kroplap, veel overeenkomst met
dat, hetwelk voor 1840 nog op het nabij gelegen Kamper eiland
gedragen werd. Van beide bezit de stichting Campen in hare
verzameling eenige exemplaren. Ook het Openluchtmuseum op den
Waterberg bij Arnhem heeft nog zeer fraaie en zeldzame
overblijfselen van Schoklandsche kleedij. Uit genoemde oude
costuums blijkt de groote liefde voor kleuren en wel voor de
primaire kleuren, een karaktertrek, welke men bij volken aan zee
wonende, meer aantreft.
Het ligt voor de hand dat het visschersvaartuig, voor iedere
visschersbevolking van eigen type, (wij spreken van Volendammer
of Urker botters, Giethoornsche punters en Schokkerschuiten)
eenige aandacht verdient. En dit is wel meer het geval nu de
Schuit als vaartuig voor de Urkers en Schokkers bijna geheel
verdwenen is. Er is echter te Kampen nog een tweetal origineele
Schokker schuiten en daarvan is de Kampen 1, gemerkt KP1, die nu
al bijna 125 jaar door leden der oud-Schokkersche familie Diender
wordt bevaren, en nog hun eigendom is, de merkwaardigste, omdat
zij zich nog zoo goed geconserveerd heeft gehandhaafd. Tusschen
botters, tjalken, pramen en klippers ligt zij des Zondags in de
door schepen fraai gestoffeerde en door huisjes en boomen
omzoomde, schilderachtige Oude Buitenhaven te Kampen.
In het midden der 18de eeuw, aldus Mees, waren op Schokland maar
drie kleine visscherschuitjes, daar de Schokkers toen meerendeels
de vrachtvaart (kusten binnenvaart) uitoefenden <5>. De
kleine Schokkerschuit noemt men bonse; de allerkleinste en
lichtgebouwde is een plute, waarvan er nog één op Urk wordt
aangetroffen. De "Schokker" (zoo noemt de
visscherman het bedoelde vaartuig) kenmerkt zich door een
oploopend voorschip met een rechten vallenden voorsteven, welke
vierkant eindigt en een opening bevat, waarin zeer sierlijk het
kruisvormig anker rust. De schuit voert het bezaanzeil, de
breede stagfok en kluiverfok. Onder de roerstok, dwarsscheeps, is
een plankje aangebracht, waarop "de Prins"
geschilderd is. Zoo noemt men namelijk de prinsekleuren (oranje,
wit en blauw) in driehoekvulling of in cirkelvormige
meanderlijnen op dit plankje geverfd <6>. In het midden van
de schuit is de bun en onder de voorplecht vindt men een roefje
(het vooronder). Verder is dit vaartuig in de midscheeps open. De
zwaarden zijn lang en smal.
De KP1, welke dus uit een scheepsbouwkundig oogpunt historische
waarde bezit (zij is een der twee laatste Schokkerschuiten) werd
uit dien hoofde door ons opgemeten. Zij heeft de volgende
afmetingen: De lange as van roer tot eind voorsteven is lang
11.50 M.; dwarsscheeps bij den mast meet zij 3.60 M., en haar
diepgang is 0.85 M. Aangename herinneringen hebben wij aan de
KP1, want wij hadden het voorrecht onder het genot van een
stevige bries met dit vaartuig en drie Schokkers van jongere
generatie aan boord, terwijl wij de "fok te loevert"
hadden, over de deinende Zuiderzee, door Keteldiep en IJsselmond,
van Schokland naar Kampen te zeilen. Toen genoten wij van de door
traditie en ervaring verkregen mooie kunst van zeilen.
Want de visschers weten hun vaartuigen te laten varen en wenden,
zooals zij het noodig achten. Zij hebben hun schuit geheel "in
de hand" en als ze, laveerende, "door den wind
gaan", is het een genot te zien hoe juist en zeker
iedere handgreep is en iedere beweging wordt verricht.
Dat zeiltochtje herinnerde ons onze zeiloefeningen in het
onstuimige Marsdiep en die op het breede watervlak van Zuid
Holland's stroomen. En waar is Holland eigenlijk mooier dan op en
aan het water van zee en rivier?
Noten:
A.J. Reijers, Kampen.