Uit het Schokker Erf nr. 40 (januari 1999):
"Wel, Schokland, gij bedroefde kust....."
Weemoedige romantiek van wat riet en rusch, wat palen en basalt.
Wanneer de oude Gerrit Smit van Diene, die nog op Schokland
het levenslicht zag, maar na de ontruiming van het eiland te
Volendam leefde en stierf, met zijn botter in den Schokker koers
kwam en Emmeloord binnenliep, zou hij zijn geboortegrond niet
verlaten zonder er wat aarde te rapen en in zijn grooten rooden
zakdoek met zich mee te nemen. Toch was Gerrit Smit maar een heel
eenvoudige geest, oud en betijd, die het hoofd koel hield en voor
wien het leven niet altijd makkelijk was geweest. Doch hij was
een Schokker en voor hem bleef, ook in ballingschap, dat
armetierig reepje grond, ver voor de Overijselsche kust, dierbaar
en heilig. Dáár hadden zijn vaderen eeuwenlang hun kommervol
leven geleid, daar waren hun graven naamloos verzonken in den
grond, die eens ook werd beroerd door zijn eerste wankele
schreden terwijl er zijn blik van toen af nimmer het zicht van de
zee verloor.
Sterk leeft nog het verleden in de sfeer van dit arme landje. In
weerwil van den bloei der zilvergrijze mattenbiezen, het welig
opgeschoten, blank omwaasde gras, ondanks de wijde blijheid, den
zonnelach van het zomertij, hangt een vage weemoed over die
groene verlatenheid, beluistert men in den zeewind, die breed en
bol ruischt door de dichte kruinen der olmen van Ens, stemmen en
klanken uit lang voorbije dagen. En in den winter, als de storm
jaagt, de hoog-gekuifde golven splijten op het basalt en het
schuim, blank trillend, druipt van de oude verweerde schoeiing,
wanneer de dreuning der zee dreigt als een verre donder en een
schuwe vogel met verloren kreet scheert over grauwe rietstoppels,
dan herleeft Schokland in oude knoestige weerbaarheid, vecht het
zijn strijd van eeuwen en eeuwen met de kolkende, kokende zee.
Walpurgisnachten der Zuiderzee
Onder de lage balkenzoldering van een der groote, blauw geschilderde kamers van de oude pastorie op Ens hebben ook wij eenmaal geluisterd naar dien diep-eentoonigen huilkreet, 't loeien van den storm, die rondom met stuivende gierende vlagen joeg door de kaal-ontbladerde boomen. Ver in het rond golfde een inkt-zwarte zee met fel-witte kammen en naar het Noorden en Zuiden, zoover het oog reikte, lag Schokland in den blanken greep der branding als 'n burcht, belegerd en besprongen door een machtig aanrukkend heir. Hooger en hooger kwam het water, in gore vlokken spatte het schuim over de palen. Buiten stonden wij, om getuige te zijn van den strijd, die opnieuw als zoovele malen hier werd aangebonden. Waarde niet de geest van oude geslachten over het smalle, weerlooze eiland, werd het niet als vroeger een bittere kamp van Emmeloord tot Oudekerk, een front van kilometers lengte, tegen de samenspannende elementen, tegen den bulderenden storm en de razende zee. Zwijgend ondergingen wij die suizende, bruisende hel, in onze gedachten groetend, met eerbied en bewondering, die vechters en werkers, die nu rusten diep in hun eenzame terpen, maar toch, zo meenden wij, moesten hooren het eeuwenoud alarm, den roep tot bescherming van have en goed. In de verbeelding daalt in zulke uren de "Walpurgisnacht der Zuiderzee" over het eenzame eiland. In duister en stormtij komen geheimzinnige gestalten uit wijden omtrek op Schokland samen en stoken er den motketel. Dan dwaalt de Barneman met zijn lichtje en jaagt het spookschip door een dikke melkachtige lucht, het St. Elmsvuur gloeiende aan de toppen der masten. Dan duiken de visschers huiverend samen om het veilige lamplicht in het vooronder....

Laatst vaarwel aan 't eenzaam eiland.
Maar ook het stil getij hebben wij er lief gekregen. Niet
licht zullen wij de maanheldere nachten vergeten, dat wij
zwierven over de lage kade, luisterend naar het zwakke murmelen
der golfjes, die spoelden tusschen basalt of knaagden aan de
houten wering. Hoe lang hebben wij vaak uitgetuurd over de
zilverblanke zee naar de vage omlijning der Overijselsche kust,
dien weinig gekenden, stillen uithoek en 's avonds de lichtjes
geteld, die er schuchter ontsprongen, den toegang wijzend naar
den Ketel, naar Kraggenburg en Noordwaarts tot Vollenhove en
Blokzijl....
"Wel, Schokland, gij bedroefde kust, gij doet er menig
harte lijden", zou het met een kleine variant op een
oud liedje der IJslandvaarders kunnen luiden. Hoe moeilijk valt
het te gelooven, dat dit oude weemoedige sprookje waarvan wij zoo
gretig hebben genoten, nu bijkans uit is. Nog is Schokland
omringd door het rimpelwijde watervlak der oude Zuiderzee, maar
verder en verder schuift het donkere lichaam van den nieuwe dijk,
die het insluit en waarbinnen het straks, als het water wijkt van
den Nagel, het gat van Ens droog valt, geen eiland meer zal zijn.
Wij hebben, bij ons laatste bezoek, van Schokland afscheid
genomen, zooals men een geliefde vaarwel zegt die ten doode is
opgeschreven, zooals men nog eenmaal door een oud huis gaat,
waaraan vele dierbare herinneringen zijn verbonden en dat men
voor altijd verlaten moet. Was het dwaze romantiek, dat ons dit
afscheid zwaar viel? Of mocht dit vaarwel met reden bitter zijn,
omdat wij hier iets vonden, dat vergeten was, omdat er alles, het
land en de zee, rook naar de eerste dingen, omdat een illusie
zich telkens hervinden liet en altijd opnieuw volkomen kon zijn?
Schokland was voor ons een liefde op het eerste gezicht en al de
keeren, dat wij het weer zochten, heeft het ons nimmer
teleurgesteld. Zoo zijn wij nog eenmaal op den Zuidelijken
vuurtoren geklommen, om uit te zien, voor het laatst, over het
smalle land en het wijde water rondom. Onze schipper voer ons om
het eiland, en staande op de plecht keken wij er naar; het
vertrouwde profiel met al zijn details zouden wij nog eenmaal in
ons opnemen, zooals men lang naar het gelaat van een doode kijkt,
voor de kist wordt gesloten. En 's avonds in de haven van
Emmeloord, toen onze schipper en zijn maats de kooi in kropen,
zijn wij nog weer aan wal gestapt, om in het late uur, geheel
alleen, onzen afscheidsgang te maken over het eiland, van
Emmeloord tot de Kerk, van Noord naar Zuid, en van Zuid naar
Noord, een wandeling van meer dan twee volle uren.
Deze laatste gang zal sterk in onze herinnering blijven. Er stond
wind en de maan was even gesluierd, zoodat een vreemd bleek licht
over het water viel. Langs de smalle kade liepen wij luisterend
naar het gerucht van de zee: in het Westen krachtig en
ononderbroken - de eeuwige branding van Schokland - aan lager
wal, pal bij, niet meer dan een zwak murmelen, de kabbeling van
een golfje, dat brak op het basalt. En wanneer zoo'n golfje iets
verder uitliep over de schoeiing, klonk het een oogenblik als
voorzichtige voetstappen, die ons volgden op ons eenzaam pad.
Sterk geurde dien nacht de pas gemaaide rusch, de olmen van de
Middelbuurt zuchtten als de wind door hun kruinen streek. Buiten
tegen de palen klopte het water.
Zwaar was deze gang, die ons huiveren deed in de warmte van trui
en zeilkiel, huiveren van weemoed. Misschien dat onze handen
tastten naar dierbare schimmen, gedachten terug zochten naar de
parabool der lang geweken tijden, tenslotte wisten wij, dat alles
nu voorbij was. Dien nacht bleven wij uitzien tot het nieuwe
licht gloorde. Toen pas zochten wij ons schip en onze kooi; onder
ons kussen schoven wij een zakdoek met een handvol aarde.
Fred Thomas.
(Overgenomen uit De Tijd van 22-6-1938)