Uit het Schokker Erf 31 (januari 1996):
De ontruiming van de Zuiderbuurt
Vijf jaar voor de Schokkers verdreven werden van hun eiland,
werd de Zuiderbuurt, de kleinste buurtschap op Schokland, al
ontruimd, als ware het een soort generale repetitie voor de
dingen die komen zouden. De mensen die gedwongen werden te
verhuizen hoefden dat niet met lege handen te doen. Evenals in
1859 werd ook in 1854 een schadeloosstelling aan de getroffenen
uitgekeerd.
De van Marken afkomstige Jan Commandeur, gehuwd met de Schokkerin
Dirkje Gerrits Bruins <1> was mogelijk een van de eersten
die de Zuiderbuurt gedwongen verlieten. Uit een brief van de
burgemeester van het eiland Marken aan zijn collega op Schokland,
gedateerd 16-6-1854, blijkt dat Jan Commandeur de keus had zijn
woning op Schokland, waarvan hij eigenaar was, te verplaatsen of
af te staan tegen een schadeloosstelling. Commandeur liet weten
dat hij koos voor een schadeloosstelling <2>.
Een maand later, op 23-7-1854, was de Kamper notaris Rambonnet op
Schokland aanwezig om de schadeloosstellingen in verband met de
ontruiming van de Zuiderbuurt te regelen. Waarschijnlijk waren
toen de verhuizingen al in volle gang <3>.
De gang van zaken werd door de overheid nauwlettend in de gaten
gehouden, zo lazen we in de Kamper Courant van 27-8-1854:
SCHOKLAND, 21 Augustus.
Heden heeft de Commissaris des Konings in de provincie Overijsel, vergezeld onder andere door den Heer mr. J.A. Sandberg, lid der Gedeputeerde Staten, en de heeren Hoofd-Ingenieur en Ingenieur van den Waterstaat, ons eiland bezocht. Z.H.Ed.G. is 's morgens te ongeveer tien ure hier aangekomen, heeft de vuurtoren, rijkswerken, kerken, schoolgebouwen, pastorijen en woningen der alhier geplaatste ambtenaren in oogenschouw genomen.
In een archiefstuk uit het eind van het jaar 1854 <4> lezen we dat diverse bewoners van de Zuiderbuurt inmiddels al verhuisd zijn naar elders op het eiland <5> :
Burgemeester Gillot schreef op 5-11-1854 dat de bewoners van
de Zuiderbuurt het geld dat zij voor de ontruiming van hun huis
gekregen hadden, gebruikten om hun schulden bij de plaatselijke
winkeliers af te betalen. Hij vreesde dat velen na de winter
niets meer over zouden hebben, en dus hun nieuwe huizen niet
zouden kunnen betalen <6>.
Ook uit een andere brief blijkt dat sommige bewoners, toen zij
hoorden dat het geld waarvoor zij hun woning hadden afgestaan bij
de notaris binnengekomen was, meteen het geld opgenomen hebben en
vervolgens gebruikt voor alles behalve een nieuwe woning. Gillot,
die wel besefte dat de bewoners van de Zuiderbuurt het recht
hadden om zelf te beslissen wat zij met hun geld deden, was toch
bang voor de gevolgen.
Het was te verwachten dat Schokkers die het geld deels aan iets
anders besteedden, dakloos zouden worden, of slechts zo'n
vervallen huisje konden betalen dat al na verloop van enkele
jaren herstellingen nodig zouden zijn, die zij echter naar
menselijke berekening niet konden betalen.
Gillot verweet de Directie van Waterstaat dat zij verzuimd had
maatregelen te nemen waardoor genoemde problemen voorkomen zouden
worden. Volgens Gillot, die aanwezig was geweest bij het
opstellen van de voorlopige contracten, waren de problemen het
gevolg van het schrappen van een voorwaarde in de overeenkomst,
waarvoor hij zich juist sterk had gemaakt. Zijn plan was geweest
om het gezamenlijke bedrag der schadeloosstellingen bij het
gemeentebestuur te deponeren, zodat men meer invloed op het
besteden der gelden zou kunnen uitoefenen. De gelden zouden
volgens Gillot dan beter besteed zijn geworden. Volgens
Waterstaat was dit voorstel echter moeilijk in een wettelijke
akte te formuleren, wat weer bestreden werd door Gillot, omdat de
verkopers door het plaatsen van hun handtekening het
gemeentebestuur al gemachtigd hadden die gelden voor hen te
ontvangen en na vordering van de bouw uit te betalen.
"Tot heden heeft niemand nog een nieuwe woning gebouwd,
maar velen eenen oude woning aangekocht. Ik zal de overige
bewoners der Zuiderbuurt nogmaals herinneren om te zorgen dat zij
eene goede woning weder krijgen. Of dat evenwel bij allen wel het
gewenste gevolg zal hebben, meen ik te mogen betwijfelen, omdat
zij weten, of zulks te weten kunnen komen, dat zij het regt
hebben om met die gelden naar willekeur te handelen".
<7>
Op 22-12-1854 vroeg de Commissaris des Konings van Overijssel aan
burgemeester Gillot hoe het met de ontruiming van de Zuiderbuurt
gesteld was. Pas halverwege november hadden enkele van de
bewoners, na gedurig aandringen van Gillot, aanstalten gemaakt om
van woonplaats te veranderen. Dat waren:
Tevens deelde burgemeester Gillot aan de Commissaris des Konings mee "dat geene der genoemde personen hunne ontzegde gelden geloven te deponeren bij het Gemeentebestuur of aan den Heer notaris Rambonet terug te geven". <10> De Schokkers van de Zuiderbuurt wensten zelf te beslissen waaraan zij hun geld uitgaven.
Noten:
Ab & Bruno Klappe, Eindhoven.